Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 3S5 —
Op hem alleen willen wy hopen,
Onse schuit heeft hy hetaclt;
Zijne belofte heeft noyt ghefaclt,
Om ons to verlossen wt alle torment;
Gods ghenade staet altijd open,
En ziju liefde is souder ent.
Na Gods bevel, so wilden wy leven,
Dats, dat elck sou geven den keyser zijnen chijs,
Maer hom de eere, zy wordt hem toegosclu-eveu,
Geen goden beneven hem kennen wy propijs;
Hem behoort de vreese, hy is alleene wijs;
Vervloect wilse God houwen, die op menschen betrouwen.
Want zy zijn ydel, haer macht is als een rijs. — Op u, enz.
Ghy acht ons ketters, siet sclifs u J3els-knapen,
Mouioken en papen, haer leere is als fenijn,
Acnsiet dc liefde van uwe byt-schapon,
Bloctgierich sy gapen, en souden herders zijn?
tZijn grijpende wolven, in ceneu heyligen schijn,
d' Oogen vol hoerderije, en thertc vol invije,
Haer loven on leer is niet wt God dcvijn. — Gods gen., enz.
Ist gewelt dat wij volchden Gods wegen.
Als d'Apostels plegen, na ons vermogen al? —
Wy seggen neen: maer al dat God is tegen,
Wacr beter vtrzwegen, wtgeroyt hen getal;
AVant de hoer van Babel sal haest comen ten val.
Die gy nu wilt vereeren, maer tzweert sal u vorteeren.
So dat u plaetse lüer niemaut vinden sal. — O/j k, enz.
Sloegen wy d'afgoden, hierop wilt nierekeu.
Door sulcke wercken wert Godt niet onleert,
Christus smeet self do cooplien wter kereken,
Wou niet in sulc pcrcken ziju woort hebben vermeert;
Maer diet wt dieften deden, hebdy meest geëert.
Al sondcr ons toeseggen en sprinsen wederleggen.
Want quade wercken tot quaden eynde keert. — Gods, enz.
Dat wy als rebellen nu moeten vlieden,
Beclagen vele lieden, maer Christus spreect seer vroet;
Wacrt ghij vande werelt, tsou u niet geschieden,
Zy soudca u ccrc bicden; — mi ghij sulcs uiet en doot,
25