Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 39Jr
Handelt hen sacht nu voort; — merot doch 'tgcveynsde woort^
Waut 't was al om te branden! —
O hipooryten fel, dit zijn u treken wel,
Dat ghy bijt schaepkens cïaerlick.
En vaecht u muylen snel, recht of ghy in gheqiiel
Hen niet gebrocht hadt, zwaerliek.
sMaendachs, tegen den nacht, wert hen de. weet onsacht
Ghedaen, om 's daechs te sterven;
Doe spraken sy bedacht: wy hebben lang gewacht,
Om Gods rijck te beërven.
Sy waren heel vervreucht, en dat in rechter dcucht,
Van blijdschap gants ontsprongen.
Hebben met groot geneucht, in God zijnde verheucht.
Den Psalm sestien gesonghen.
Ter doot zijnse gebrocht, d'welck men aenschomvcn mocht,
Een yegelyck bysonder.
Van dat Babels gliedrocht, dat den paus is verknocht.
Al swijgendo, 'twas wonder.
Eick is, al met zijn rot, ghecomen opt schavot,
Ghebonden als een beeste,
Een yder badt, in 't slot: in uwe handen, Godt!
Beveel ick mijnen gheeste.
Daerna, met smerte groot, zijn sy geworcht ter doodt,
Eu ghebrant aan vier staken;
O, jammerlickcn noot! want, om de waerheyt bloodt.
Moesten sy den doot smaken.
Alsoo zijn sy gherust, na hares herten lust,
In Christo deu ghetrouwen.
Van hem zijn sy gekust, hun vyer is wtghebiust,
't Leven dat is behouwen.
Duysent vijfhondert jent en tseventich bekent,
Is dit werck int ghereye
Gebrocht, ende volent, van den raet gants verbleut.
Den derlichsten dach Meye.
O heeren, nu doch beeft, dat ghy dus groulick leeft
Met Gods schaepkens , seer gocdich ;
U herte doch begeeft tot God, eer dat ghy sneeft.
Want u handen zijn blocdich.