Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 37S —
Want herberg geeft hy boeven en hoeren,
Maer, die by Gods woort blijft, hy dagelyex ontlijft.
Gebannen heeft hij veel duysent lieden,
Met sinnen opstinaet, al na der Papen raet.
Moorden en branden siet mer gesehieden,
In geen Chronijke staet van sulcken Tyran quaet.
Is dat recht bewaert des eoninx landen?
Besiet-, ghylicden vroet, de deucht, die hy u doet :
Het tiende begeert hy van al u panden,
Madame sochtet goet, Due dAlba ooc het bloet.
Scherpelijek doorsiet, ghy ondersaten.
Wat dat den oorspronck is van dees verderifenis ,
Of niet den Paus is met zijn legaten,
AVaut eenen coninc fris soect slants welvaert gewis. »
1 Na do gebeurtenissen van bet voorjaar van 1572 (zie bet lle stuk)
•werden hier, naar 'tschij«il, nog 4 koepiellen achtergevoegd, die wij daar
ter pl. zullea mededeelen.
1570.
Bemoedigiiij^.
Al heeft die bocshcyt doverhant ghenomen nou,
En trijck Godts ghewelt lijdt deur Mammons knechten.
Omdat Superlüus tot zijnen vermete comeu sou,
Doyt hy Servium Tullium, een verstaender der rechten;
Al verachtmen nu d'ou statuten die sulex behechten,
Al om eyglien bate en der ghemejiite scade;
Al wilt Haunibal heel Europa dwingen eu bevechten,
tMoclit hem wel failgiercn duer sijn ongenade;
Al was Scipio wt nijt beelaecht voor den roomschen rade,
Nochtans sonder hem slaudts \'ictorie hadt moeten falen;
Al scrijft Thatlianai veel saken over int quade,
Nicanor hem beroempt, dat hy zijn tribuyt sal betalen
Met dat geit der glievanghen joden, waer sal hijt halen? —
Al en weet Judea van bcnautbeyt niet waert hem weynden sal,