Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— -368 —
Maer de Heer van hier hoven.
Die alle diuek regeert,
Diemen altijt moet loven,
En heeftet niet begheert.
Seer prinslick was ghedreven
Mijn princelick ghemoet;
Stantvastich is gebleven
Mijn hert in teghenspoet;
Den Heer heb iek ghcbedcn,
Van mijnes herten gront.
Dat hy mijn saeck wil reden ,
Mijn onschult doen oircont.
Oorlof mijn arme schapen,
Die zijt in grooten noit,
U herder zal niet slapen,
Al zijt ghy nu verstroit:
Tot Godt wilt u begheven,
Sijn heylsaem woort neemt acn,
Als vrome christen leven,
tSal hier haest zijn ghedaen.
Voor Godt wil ick belijden
En zijner grooter macht.
Dat ick tot gheenen tijden
Den coninek heb veracht:
Dan dat ick Godt den Heere,
Der hoogster Majesteyt,
Heb moeten obediëren
In der ghereehticheyt.
1562-1569.
I>oopsgcziiulc mnrtelareii tc Ociit*
Alsmen schreef duyst vyfhondert jaer,
Ende twee ent sestich mede,
Sachmen te Ghent, dits openbaar,
Vrome Christenen ontleden.