Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— -364 —
Wij sullen 't avanlucren,
Al waer die prins noch vicrmael soo sterck.
Noch en willen wij niet trueren.
Die lansknechten schoten dapper wt,
Sij en spaerden noch loot noch cruyt.
Bij nachten noch hij daghen,
Daer bleef mennich lanskneclit doot.
Dat mach den prins wel claghen.
Men vinckse, men liinekse int generael,
Sy vulden die koolkuylen sonder ghetael.
Het waren ongheleerde clercken.
Dat beelaghen sy die Kuleneers,
Die weleke inder kuylcn werckeu. '
Het ghebuerden na sinte Hubreehts dach.
Dat den prins meynde na sijn aenslach,
tsAvonds omtrent te tien uren,
Die stadt te krijghen in sijn behaldt.
En clemmen over die muren i.
Maer die heeren van der stadt, al op dat pas,
Deden cesseren den elocken ras.
Verhoorden doen gheen uren.
Doen was ghefaelgeert den princen-acnslach,
Daerom soo most hij trueren.
Doen scheyden den prins wt Luyckerlaudt,
Met steelen, met rooven, met grooter schandt,
Ende (dede) hem zeer vergheeten.
Sint Gillis, Jjaurens, ende Walvenoyt
Heeft bij in brandt ghesteecken 3.
Soo laet ons bidden eendrachtelijcke,
Godt, den Heere van hemelrijcke.
Wat wij hebben tscghen hem misdaen,
1 ,,L'eiinemy, incontinent après mynuiet, a faict semblantde liyrer
l'assault a ceste cité, mais voyant les nostres bien en ordre et animez à
lui faire résistence, semble que sur ce point il s'enva retirant." (Grocs-
beek aan Alva , 5 Nov.).
2 Val-benoit.
3 „A,u reste I'ennemy a usé de son acoustumé a I'encontre des
maisons de Dieu et monastères d'alentour, de cette ciste, y ayant bouté
lo feu et spécialement cn l'abbaye dc Sainl-Lorens et Saint-Gilles, dont
j'espère que la justice divine ne tarde a lui en payer ce quil mérite."
(Groesb. aau Alva).