Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— -355 —
Daer hebben sy, die soudeii ons vereeren,
Ons broeders zijn, in leven ende leeren,
Spotlijck met ons ghehandclt, soomen siet,
Haer steden mochten wy bewoonen niet;
Haer Straeten sondcr ghekijff niet betreden,
Omdat wy uiet cn volghden hare zeden.
Als sacrament-schenders sy ons verdreven,
Als beelde-stormers, ende, daer beneven.
Als die Godt beroofden sijn eere groot.
Omdat wy hem, üi hout, ofte in broot.
Niet conden vinden, maer liever ghelooven,
Dat Christus sit ter reehterliant, liier boven.
Wilt, o Heer, dees mensehcn seer opgheblasen.
Te verstaen gheven, hoe seer dat sy rasen,
In hooverdy, ende in overdaet,
Haer zwelgen, suypen, brassen boven raact,
Einancy, woeeker, daer met sy vcrcloeeken
Haer naasten, diens verdruckingc sy soecken.
Maer wy willen altijdt, o Heere ghepresen,
U en u suyver woort ghcdaehtich wesen;
Hier toe wilt ons helpen door u ghen!i.
Dat wy daer van niet wijeken, vroech noch spa;
In liefde t' uwaert laet ons altijt blocyen,
En tot liefde onses naesten ons bespoeyen.
Ons herte smelt, als wy zijn. Heer, gedachtich,
Hoe wy vercondichden uwe woort crachtieh,
Lit Ncderlant, ter werelt opcnbaer;
Hoe dat wy, met veel volcks , ginghen aldaer
Ofli-en de kalvcr onser lippen reyne,
In Christo, onsen Verlosser alleyne.
Wilt, o Heer God! die Spaenjaerden gcdincken.
Die onse licliamen ginghen vordrincken.
Als sy dia religie verdreven fel;
Ghedenct des bloetraets, die daer riep seer snel,
Hanget, worcht, en doot, roeyct wt tottcn gronde.
Dat sy nict weder comen t' allen stonde.
Ghedenckt o Heer, der staten deser landen.
Die dees vreemde nacy gaven in handen
IGhewclt des lants, om ons te dooden al,