Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— Ir-
in die camer dat Iii trat,
Hi vant siin wiif in grooten rouwe;
Vriendelike dat hise an sprae :
Wat es u, wel-scone vrouwe?
Die grave lieit miin eere ghenomen,
Daerom bin ic in dit liden;
Nummermeer en mach mi vromen
Te slapen, lieer, bi uwer siden.
Dese reise haddic wel mogen derven
Scoene wiit', dat willic u vergeven,
Maer bider doet, die ic sal sterven,
Dat sal den grave costen tleven. —
Nu sal ic u seggen, siit becant,
Vanden grave van Hollant:
Met süne edele lieden
Die grave sat op een dobbelspel ;
TERDA^j^'
Glieert van Velsen was soe fel,
Hi hoeft hem vermelen;
Hi sal den grave van Hollant
Met eenre cniven doersteken.
Dat benam heer Ghiisbrecht
iii werf voer den daghe
Dat dcde hi om die van Utrecht
Soe lief hadde hi die grave:
Ic quam ghereden met ioliit
In een velt van groenen grase,
Daer vandic, op een morgenliit.
Een loep van eenen witten hase.
Die hase en mach niet gevaen bliven,
Segic u, wat miins ghesciet,
Glu en siter selve metten live,
Of ic en cans gevanen niet.