Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 346 —
Gheen lialiï uer cn heeft dit gheduert
OIF den slach dien nam ende,
Die loopers hebbent meest besnert,
Al door Nassouwens bende,
Opt moer ent boseh , eén mijl int ront,
Men Spaengiaerts ende Dnytschen vont
Meest doot, waermen sieh wende.
Inden Dollaert, wijt en seer groot,
Verdronckense by hoopen,
Arenberehs peert viel m een sloot,
Hy moeste 'toock becoopen
tHooft, zyde, hals , waren doorwont,
Hy 't doen bestorlf in korter stont,
En Groesbceek ^ ist ontloopen.
Van dit volck men begraven sach,
.-Over de aehtlüen hondert * ,
Watmcn noch vant naer desen dach,
Dat zy hier wtghesondert; ^
Nassous volck, die dootbleven daer,
Waren gheen veertieh, dit is waer,
In Godts werck u verwondert.
1 ,, Men seyde dat dc slag gcducrdc van ses uren tsavonls tot viii
uren toe." (Am. v. A. in de Cnrr. du duc. d'Alhe ui tg. door Gachard).
2 ,,'s Graven paard viel door een geweerschot, gelroüen; zij die bij
Jiem waren, bielpen hem met veel moeite om weder op te staan, en op
Ijetzelfde paard weg te rijden , dal kort daarop dood nederviel. l)e graaf,
door de wonden, die hij gekregrn liad , oiet in staat, om te voet te gaan ,
met zijne zware wapenen en de jicbt, die zijn voet weinige dagen tevoren
liad aangetast, leende zich aan eeu hek dat op eene wei bij den weg was,
toen er eene groote troop vijanden aankwam \ waarop bij , zijne krachten
met de grootte van het gevaar stijgende, zijn degen ter hand nam,
met even wakkerea moed, als hij dikmaals vroeger in dienst van God en
zijn Koning gedaan liad; eindelijk gelukte bet den velen oproerlingen,
die op hem aandrongen, hem cn allen, die met hem waren, te dooden."
Mend.; verg. ook het bericht van een van 's graven moorders in van Wijns
Jfidsz. lei'en , 11. 232. „Und seyde dat hij die grave tbo Arenberge hadde
sien doot brengen voorgraefl' Lodewijk, ende dat sijn Ed. ge.-icholen was doer
die strop van zijnder keel, ende iu die sijde doer ende weder doer, en
dat sijn Ed. voer sijndtv Ed. voprhoeft hoven sijn oogen gewont was zoer
dapperlick." Amelis v. Amslel. — Lodewijk zond Arenbergs vlie.sordo aan
Oranje. fZie ald. den brief van Polweiler en verg. Archiven, IM. 228),
3 legher van Grocsbeek, broeder van den luik.scben bisscliop, Aren«
V)ergs luitenant.
4 ,, Somma Sommarum scide dat ald.iar negenlhleu liondert dooden
getelt sijn, en dat wij (dc Spaanscben) daarvau H meeste verlies hi-bben."
^A. v. A.)