Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 340 —
tWaer scade, datraense daerom al belasten;
Moehten die mieren wercken, elek soude te vrceden zijn.
Elek sou wel te vrecden sijn, hadde ghy slechts ruste,
Sprack den mol elacrlijck, met rijpen vetmaue,
Hy nam de saecke themwaerts, met goeden luste,
Want den mol is blindt, hy en siet niemant ane,
En scherp int hooren, om elek wel te verstane;
Hierom waren die stert-mayen alle seer ghestoort,
Die sonden de motte met die schiet(?rs ter band*.
En brochten alte menighe schoon laeghen voort;
Die heykrekels riepen: laet maken aecoort;
Dese sorchden vohr oirloge, meest thuerder scade,
Maer de rispen sochten al wrake en moort,
Seggende: die mieren, tot een ongenade,
Sullen wy ha^r nesten, gaetct nae onsen raede,
Met poppen besluyten, tot dat sy vertreden zijn;
Hola! riep de mol, houdse niet al voir quaede,
Mochten de mieren wercken, elck sou te vreedcn zijn.
Want wercken is altijt haeren aert cn nature,
Soomen daghclijcx siet, aen alle dinghen,
O lasen, deu cost wordt den mierkens suere,
Wilt dan de goede, om tfeyt der booser, niet dwinghen
Met onredclijeke straffe, duer tquact aeubringhen,
Sprack den mol, wilt dat niet den onschuldighen wijten,
Maer die quade oorwormen, wilt die sunderlinghen
De scult gheven, die, om haer eyghen profijten.
Inden mieren-nest comen zijn, wilt hier op krijten;
Want dcse maeckten al de nieren wt den sinne,
En queldcnse in dooren; jae, tmach u wel spijten,
Dat sy sonder concent quamen, tallen nesten inne;
Dit rapoort benijde een grote, rosse spinne;
Maer den mol antwoorde: iek weet wat u sedcn zijn,
Wat aght iek dat ghy u net spreyt touwen ghewinne.
Mochten die mieren wercken, elck sou te vreden zijn.
Ops acnhoorde dese groote doleantie,
■En dat doorwormen waren doorsake van desen,
Dacht, tis best dat iek trecht hou in usantie;
Vertoeft, sprack sy, Jovis sal self corts hier wesen;
Doen 'W'arcü die mierkens zeer verblijdt mids desen,