Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 359 —

les des dicliters uit, eveu als de overige bij-persouea van
liooger en lager rang, blijven der scherpzinnigheid onzer
lezers ter opsporüig aanbevolen.]
Beminde leser, dees werken,
Eer ghy den sin judicieert,
jyHt neerstelyck aenmercken.
Wat jaer sy zijn ghecomponeert.
0
In Julio, doenracn sevenensestich schreef,
Sadt ick swacrlijck cn droomden, twas naerder noene,
^ly docht dat Ops in becommernissc bleef,
Üm een groote beroerte, daer sy me had te docue,
Want al deerdwormen, som gicrich, som vreet cn coene,
Claechden seer swacrlijck over de kleine mieren;
Die scaellcbyters, hongerich na rijp en groene,
Seyden men soudse van haer laten bestieren,
Sy souden deerdtrijck wel beter regieren,
Soo haer dochte, maer sy waren tbyten te ^ewoonc ;
Terstont daerna quam daer een ghodrang van pieren,
Dccs claechden: haer vette kerekhoven, mals en schoone.
Die maeckten sy heel m^er, en dorre van toone.
Doen sprack den mol: wildy alleen hier beneden zijn?
Al soeckty den heclen aerdtbodcm touwen love,
Mochten de mieren wercken, elck soude te vreden sijn.
Mochten de mieren wercken , vry, sonder vreesen,
Eick soude genoech te doen vinden int zijne.
Doen antwoorden den houtworm, belust om teesen:
Dat blijckt wel, hoe sy tho\it scheynden in ons woestijne. —
O lasen, die micrke'ns sweghcn, twas haer een pijne ,
Datmen haer dus accusccrden, tot kleynder scult,
De grau-suegen, gheswollen vol vau fenijnc,
Haddi gehoort hoe dat gespuys quam aengcbrult!
Mids dat deertpadde is hun overste gehult,
Sy seer luttel op Jovis, oft op Ops passen,
Dees claechden, hoe dat hun kelders vol provisie gevult,
Groote scaey leden, als haer dese mieren verrasten,
Doen antwoorde de ÄIol: bey nootse als u gasten,
Waut voir die gebreck lijden, moet gebeden zijn-.