Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 388 —
Due dAlba sal u scheereu suel,
Ghelijck meu doct der schapen vel,
Ende vaughen eer gij 't gist,
End suit noch hooren dit gherel: Tfy, enz.
Godt, onsen prins, sal gheven tijt,
Om te smghen t' uwen verwijt,
Over u valsche list:
Vive die zijn ghclooff belijt,
Maer tfy een pardonist.
Liefde vermacht al
Allegorische Tijdzang.
[De dichter van dezen tijdzang schijnt van het gevoelen
uitgedrukt in qqxx Memoire ons door den heer Groen van Prin-
sterer, Arch, Suppl. p. 73 ss., meegedeeld, dat „De Maj.
des konings aan alle gewesten en landen en zelfs aan alle
steden van dit rijk eenige vrijheden an vrijdommen ver-
leene , tot vermeerdering en behoud van den handel en
trafiek dezer landen, daar men werkcbjk bevindt, dat de
kracht cn steun van den rijkdom cn de weelde van dit ge-
meencbcst bestaat in den toevloed en het verkeer van, zoo
te zeggen alle, Europesehe volken, die hier hun handel drij-
ven ; en dit van wege de natuurlijke hgging des lands en
de geschiktheid en bekwaamheid tot handelsbedrijf, die zij,
meer dan in eenig ander geslacht ter wereld, algemeen in het
volk erkennen." (p. 78). Daarop althans wijst blijkbaar zijn
referein: „ mochten de mieren werken, dek soude tevre-
den zijn." "Weinig moeilijk valt het verder 'in Ojps Marga-
retha, als iu Jovis Eilips.te herkennen; met de „pieren"
klagende over het verderf van ,, haer vette kcrckhoven"
schijuen de geestelijken bedoeld; in de „scaelbytcrs" meent
men do Gcuze-edclen geschetst te zien; de „ grau-sueg^n'*
met hun overste de „ de eertpadde" zouden ,op de monni-
ken en Granvelle kunnen doelen. Ecn der hoofdpersonen
echter van het stuk, de mol," die bij voortduring de wijze