Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 328 —
Vergheven wy nict mcnschcu, ons ghelijck,
Sal God vergheven zijn maeckcel van slijck?
Neen hy voorwaer; dus doet van u de wraeck,
Bidt G^t dat hy u vyant beter maeck.
End seght dan vry, sondcr u te vervaren.
Vergheeft ons, als wy onsen schuldenaren.
God die thoont ons zijn liefden in zijn roe,
Blijfdy hartneckich, mensch, soo siet wel toe.
Dat hy de roede niet versclierpe meer,
Oft dat hy zijn straffe niet van ons keer,
End ons int wilde moetwillich laet zwerven.
Om inde weelden eeuwigh te bederven.
Princen, baender-heeren , tot Gode keert,
Belijdt u sonde, u hert oock verneert
Onder Gods handt, en hem ghelaten staet;
Staet na Gods liefd', verlaet des duyvels liaet,
God sal ons, door die vander maecht geboren wert,
Ontbermen en minnen als zijn \cxcoren hert i.
l In de beide laatste woorden verraadt dit kunsteloos maar roerend
lied verrassend den naam van zijn edelen eu gevoelvoiien dichter.
IL
Ach, ilir Ordens bruder, was unbedachter hern,
"V\'ie kommen wir in das ellcndt so seinen,
Wie haben wir uns so übel bedacht.
Das wir unsere sachen nicht besser liaben angelacht I
Ilettcn wir nicht angetast der pfaffen gut.
Auch nicht versturtzt der munchen blut,
Lud die kirchen lassen blieben in freden.
So wehrn wir noch hern van dorlfer und steden;
Nu werden wir veriacht, das ist wahr.
Als kii'chenschender, wie es offenbar,
Bilder-sturmer mach man uns wol nennen,
Das müssen wir ja selber bekennen.
Wir haben geschendt kirchen und klauscn,
Nichts übrichs gelassen in Gottes hausen;
Munchen, Glöster; Junckfrawcn; und Pfaffen,