Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 311 —
Kond ic mijn lief hebben, 'k cn beyde niet drie weken;
Al was ic om mijn loosheyt int klooster gesteken,
Ic ben, noyt soo geerne, daer men de kindei-en wiegl." —
En ghy, snster Claerkcn, segt ooc n gebreken,
Öprcect de waerheyt, schoon maegt, my niet en bedriegt.
„Ben ic maegt, pater? — bonespaeys, ghy liegt:
Ic ben dien al qnyte, maer met geen jong geselle,
Ick was van broer Cornelis ons kappellaen gebiecht,
sAvonts alst doncker was , in ons kapelle;
I)an heeft hy my diemael gebiecht iu mijn celle,
Die liefFelijc gestroyt was met kruydekens en ges,
Hy geloofde my trouwe, en swoer als de snelle,
Dat Christus ter bruyloft was, en nooyt iu geen profos."
tHuwelick is wel eerlijck, cn van God inghestelt,
Maer trouwen de nonnekens hebben al beter dagen,
Sy cn zijn immers met geenen quaden man gcquelt;
dEen heeft een dronckaert, dander verspeelt sijn geit.
Dan krygen de wijfs thuys haren hals vol slagen;
Ghy meugt sekretelijc u selven bejagen,
En kiesen cen kare van vryen sticke.
„ tls wel, spracker een manc nonueken, tsou my wel behagen,
Worde den buyck met kinde dragen niet dicke;
Daerom ist beter dat ick my ook schicke,
Ten huwelicken staet, soo my ymant minde,
Want soo hacst als ick my metten man verquicke,
tls seker, ic werde terstont groot van kinde;
Ist niet beter dan, dat ick my des eedts ontbinde,
Die ick tklooster gedaen heb, tegen Gods woort expres ?
Want ick in Johannes int tweede geschreven viade,
Dat Christus ter bruyloft was, eu noyt in geen profes."
De pater was heel uytsinnich verstoort.
Om dat elek sijn cygen quaet klapte en kende,
Én gelijc een boeve, soo vraegd hy noch voort,
Hoe veel maeghdcn datter waren in al de bende? —
Onder al wasser drye, twee doovc en een blende.
Met groote dicke lippen, d'oogen uytgeheven,
En die swoeren by Sinte Eranciscus' legende,
tEn was haer schuit niet datse maeght waren bleven