Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 273 —
Verblijdt u allegader met groot jolijt. Die den eardinael dragen de trou, te spijt. Als sy vraghen nae de leus; Dus seght altijt, en weest verblijt: Vive, vive le Geus ! Danckt Godt, den prins van hemelrijck, Ghy, die de waerheydt soeckt ghelijek, Hoe langher hoe meer. Betert u, gheeft Godt autentijck Loff, glory, prijs, end eer. •
Adieu se dit aux Inquisiteurs, Qui par leur grands labeurs, Et aussi les biens qu'ilz feront. Leur semblera que en paradis entreront; Si ainsi est, le grand diable y sera. Qui tons ensemble les emportera.
(iciizeii-Krlio.
Soc men die Geuk bcstrijt, Sal men gewinnen iet? — Niet! Wie sal d'overhandt houden. Die pauws oft die geuk? — Die geuk! Wat sal dan van 'spauws rijcke Geworden, in sulcken gevallen? — Vallen! Hoe, sal men oick zijn missen En loff vergeten al? — Al ! Wat sal men dan gaen doen Met alle zijn aflaten? — Laten! Konnen hen dan die groote Noch helpen iet meer P — Niet meer ! Wie sal hen dan vieren. Nadien dit alzoo zy? — Zy! '
1 Margarelha, 18