Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 250 — .
Belijdt, belijdt, riepen sij ter zijden.
So sal men u doen verlichten wel.
Want wij seggen u van te belijden.
En niet van te roepen tot God snel.
Maer sij hielt al aen tot God seer vuerich.
Die Iiacr verlichte, en sij sprack coel:
„ Wilt mij nu voort vragen geduerich,
Want ick als voren geen pijn en voel."
Kocli twee schroeven setten sij op haer schreenen,
„Bcschaemt mij niet, heeft sij doen geseyt.
Want van eenich mannen mij noch gecnen
Sijn hant aen mijn bloot lijf heeft geleyt."
Mits dien beswijmde sij onder de handen,
Dat men seyde: sij is doot by geval?
Maer sij ontweckt zijnde in de banden,
Sprack: „ick ben niet dood, maer leef noch al."
En wilt ghij dat noch niet spreken tegen,
Het welck ghij voor ons bekent hebt liier?
„Neen ick, sprack sij tot haer, onverslegen,
Maer wilt met mijn doot bezegelen lier."
In Martio, in den jare voorsproken.
Gaf over haer een oordeel den raedt;
Met drencken hebben sij haer gewroken
Aen dat lief schaepken, die wolven quaet.
Och laet ons aenmercken met der herten,
Elisabets manuelijck gemoet.
Wanneer sij ter noot leedt pijn en smerten,
Heeft aengcroepen den Heere goet.