Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 234 —
Saert FLortuacl, ea tsHertoghendale;
Die twee godslmysea liaddeu de quale
Vau brantseattinghe, want sulc quaet gliedruys
En glieeft noeli oni God, noch oin Godshuys.
dWalschlant dat mostet voerts becoopen,
So wordde den legher tot Grave gliepiant,
Sy hebben Waveren routomme doerloopen,
Daer ghebrantscat, liier gerooft, daer ghebraut,
Sy hebben bedorven gheheel Walschbrabant,
Hebben ooe ghemoort in bosschen, in eoreu; —
Een roover ghecreyt es ergher dan te voren.
Sy zijn ghereden vorts tot Meleyn,
En te Longheville bi Geldenaken,
Tot Gembloux en Argenton ghemeyn.
Die hebben gebrantseat, daer zijt ooc al braken.
Hier zachmense vanghen, daer bernen en blaken;
Die bosschen doersoekeu, niet sonder moort; —
Een oudt boeve gaet in zijn boeverie voort.
Daerna zijnse ghearriveert, stappans,
By Gembloux, int slot gheuoempt Conroy,
Daerop waren .Ixxxiiij. mans,
Sy hebbent gesummeert, maer twas al hoy,
Sy hebbeut ghebracht in een deerlijcke ploy,
Sonder veel scietens, met vonden loos,
Een verrader vint slimme vonden altoos.
tHout van der poorten hebben si verbeert.
Met mutsaert, doer him valsche treken,
So traden si dacr inne cloeck, onverveert.
En hebbent den hals al afghesteken.
Den prochiaen ooc, soot wel es ghcbleken.
Die daer inder biciiten was hun beradere.
Een ketter en spaert nocii bichtkint noch bichtvadere.
Merten, u wreetheit en Moudi niet verminderen,
Van Asperen, erger dan Tnrcken oft Marancn,
Daer doode ghi den schoelmeester en zijn kinderen,
En hier den pastoer met sinen parocliianeu;
O wreet, bloedich werck, tc hert om vermanen!
My grout als ickt grondcre in mijn bemerk; —
Want een mensce verscrict vau een mordadicli werck.