Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 232 —
Nochtans aen die poorte quam den heralt noch eens^
Oft hy dapointement wou verbeyeu;
Men sey hem: pact u wech, gaet elders reyen,
Ghi coempter nae tasten ghelijc die blinde;
Ghiericheit verbÜnt es, en sonder inde.
tVolc op die vesten, als vrome caillen.
Bleef drie daghen, drie nachten, sonder afganc.
Men besorclïde hun blydelije van victaillen.
Men loofdese, men wiste hun grooten danc;
Si waren ghemoeji; als ieuwen stranc,
tWasser al ghenoechte sonder elacht oft wee;
Een man welgemoeyt es sterker dan twee.
Dien tijt was Loven ooc nerstieh, sonder fiouwen.
Tegen die boeven, dieven, en branstichters;
Soe ordineerde die stat, dat ook die vrouwen
Souden waecken en vangen die boose wichters;
Si dedent ooe, en brachten die voer de richters;
Si liepen, si deursochten, als vrome wijven; —
tEs wonder wat die vrouwen connen bedriven.
De langhe Jeroen, die de stadt wou verrayen,
Wordde tsgoensdachs buyten Loven gevanghen.
Ui riep ghenade van zijnen misdayen,
Maer twas om niet, hi was op de meret gehangen;
Meer andere hebben ooe loon na were ontfangen.
Men dede daer recht na elcx malicie; —
Salich zijnse, die wel pleghen iusticie.
O Loven, overdinct nu elck perieule,
Daer ghy in waert, oft herdde by,
O Loven, tracteert ooc elck articule,
Gheschiet op den goensdach, hoe dat sy;
Dinct hoe die vroukens riepen: o wach, o wy!
Hier goet'daer quaet, cn wilt niemant berichten; —
Die zijn seult bekent, dien sal God verlichten.
Loven, al sidi nu ecnichsins verlost,
Noehtans leedt ghi menighen swaren stoot rou,
tGine binae qualic, twas bicans al verbost.
God sont u vreese, vaer, en grooten grou;
Cteyn was u macht, wilt dan bekennen nou:
Dat God dit al dede sondcr seer Ic hinderen; —