Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 231 —
En vele wasser ooe güequest, eu gewout; —
(ILot valt meest op dougeluekige goelront.
Seer quaet is te weteue iuyst ghetal
Van den genen, die daer waren geseoten,
En oft zij die dooden beerden in eenen stal,
j\Iaer omnier, veel van hen eraeeten die herde noten,
In wijngaert, in eoren, opt strate, in goten.
En niemant van binnen en storte zijn bloet; —
Dinet dat die goetheyt Gods dit al doet.
Die Lovenaers dan, die werdden voerspoedieh,
Duer hun goet herte en devote oraeiën.
En al eest dat die sommige vielen eleynmoedieh,
Danckt ghi God van uwer grooter gratiën.
Si bleven volherdieh in allen turbaeiën,
Al quamen die vianden, si dorsten voerts terdden ; —
Die persevereert, die zal salieh werdden.
Merten, sgoensdaeeh. snaehs, hiel gemeyn weeromme,
Eu sey: en siülen wy Loven niet conuen dwinghen?
Ie segge u geit toe een groote sorame.
Dus laet ons die stadt merghen vroeeh bespringhen;
Die knechten en lieteut niet geerne toe dringhen,
Nochtans wacrt gesloten, met raedc onwijs; —
Maer tegen den Heere, en es raet noch advijs.
Hoe sach men bidden dien nacht voer en na,
Wullen, bervoets gaen, met devoten sinnen,
tSaerament omdraghen, dwele tvolck gherne ha.
Om die versterekinghe van die van binnen;
Hoe baden die cloosters, vol vierigher minnen.
Van goeder alfectien vol totten soppe! —
Een vicrich ghebedt, breekt den hemel oppe.
Dien nacht oeck die wake ginc men versterken;
Sterker van volcke en hebdi noit ghesien.
Van lichte, van poerters, van scutters, van elerken,
Van tronunelen, van trompetten, en van lantslien.
Die ruyters buyten dochten, tmoest wat bedien.
En dat Loven moest zijn seer sterck van volcke; —
Maer tverstant verduystert wel eeu swerte wolcke.
Des donderdaeehs en waest \Ty niet alleleens, '
Haeren ract gcdrocch: dat men sou sceyen;