Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 230 —
ï>eu wyu quam vast der poorteu uakeu,
Maer niits dat ecuich volck niet en wülecuerde/
So en conste den wijn niet voorts gheraken,
Daer duer, en duer ander saken,
En woudt niet bycomen, tmoeste wat bedien,
Alst nict zijn en wilt, ten sal niet geschien.
Sommighe seggen: liad deu wijn gecomen voert
Tot der jioorten, alst Merten hadde vernomen,
Soe soud hij met siju volc, quanssuys gestoert,
Met craciit eu gewelt liebben inne gecomen;
Want zijn volck was rcet, tot sijnder vromen,
Duerende tbestant, de poorten omtrent; —
Maer God onversiens zijn gracie sent.
Als men )arlamenteerdc int leste,
Zoe es desu cke wtcr poorten ghegaen,
Üm met Merten te spreken int beste.
Als die meyer van Loven en heer Damiaen;
Den twist rees op, tbestant werdde gedaen,
Die poorte ginck toe, sy werden bey gevangen;
Wy sal verstaen Gods verholen gangen?
tMoechte den Loveuaers wel verdrieten.
Dat bestant hadde soe lang gevallen,
Maer subijt, soe ginc men dappcrlijc scieten
Nae de vianden, die stonden acn de wallen;
Daer sach men hen bloet, hen lever, lien gallen^
Die hen te voren teghen Loven stelden; —
Maer de wrake voerstelt moet dicwils ontgelden.
Die knechten souden hebben, in elcke sije
Yan der poorten, in de vesten gaen sluypen,
Maer als sijt wel gevoelden, zij waren blije.
Dat sy gingen loopen, ia ter eerden cruypen;
Sy borchden hen, sy gingen alUnskens druypen,
Deen bleef hier, dander daer, twas al verscroyt; -
Een heeir gebroken, dat es haest versfroyt
Niet voetknechten alleene, maer ooc te peerde.
Werden daer ghescoten al over hoot.
Men sachse vallen van boven op deerde,
Eu éen edelman ten minsten blöef daer doot,
Eeu tronunclecr scutle ooc ccncn cloot,