Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 229 —
Doen scy daer een: slaet mi liever den hals af.
Want dat waer een stne te seer horribele.
Den prinee afgaen en es niet remissibele.
Naer dapointement mocht Merten verlangen,
Soe ginck hij den eysc anders proponeren,
tSeventich dnsent croonen wou hij ontfanghen.
En dat men hem soude wijn en bier presenteren.
En dat Loven soude abandonneren
Bussen, cruyt, cloet, met der heelder proyen.
Een verwacnt mensche derf alle dinck wtstroyen.
Die Lovcnaers namen hier op avijs,
Üft Loven, sondcr meer vobc, wel was om houwen.
Si hadden te voren verstaen een bewijs
Van grooten cxperten, diet wel weten souwen,
'Dat men Loven so niet en mocht betrouwen,
Wautse groot en wijt es — wat batet dat wijt helen ? -
Het es altijt beter int seker spelen.
Die Lovcnaers vonden in hun concilie,*.
Te luysteren naer goet apointemcut.
Om te salveren lijf, goet, kinderen, familie,
Ende occk iu hun stat elck ione student;
Daer wasser geestelijck en edel bekent.
Die ghewilhch waren tot der stat welvaert,
Lijff en goet es altijt beter gespaert.
Sij seyden: wijn en bier seincken wij coenlijc.
En bieden hem vijftich duysent croonen.
Van b\issen en cruyt dat en es niet doenlijc.
Dat sal men hen wel met redenen bethoonen.
Si dedent also met cortten sermoonen,
!Maer te groot was zijn arrogancic.
En boven al gaet Gods ordinancie.
Hy bleef bi zijn woert, noch heeft hi bigheleyt:
Hi wou met zijn volc binnen comen ghereden;
Die hceren antwoorden: dat en was noyt gheseyt,
Daermede soude glii teoncept overtreden;
Hy sey: dits mijnen wille, wat batet ghestreden?
Hi meynde al te crighcn doer lóoshcyt en list,
Maer die menich wel waent, die nochtans mist.
Dacrentusschen, als dit al ghebucrde,