Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 228 —
Merten, wesende int werck te veldc ,
Loos, duertogen, en een viant van vrede,
Sijn volck, sijn busschen vast bestelde.
Om te bescieten die lovensche stede.
Hij hinckse in de locht met subtijlhede.
Hij maectet al berect, hij wou gaen slaen; —
Men segt een werck wel begost, es half gedaen.
Doen sondt hij ecn heroudt en een trompet.
Tot op die Biest te Loven binnen.
Doende hem sommeren, duer verwaent opset.
Geeft u op, wilt coninck E«anchois bekennen,
O Merten dwaes, soudi soe Loven winnen?
Op sulcken heysch, mordadich bereyt?
Een dwaes versueck geen antwoerde cn verbeyt.
Den bode was geseyt: gaet uwer verden,
U boetscappcn zijn van cleyner virtuyten,
Wy willen wel in den strijt volherden
Tegen u meesters, en den valschen guyten;
Doen ginck men aen scieten, binnen en buyten.
Loven leerde vromelijck met sulcke practijcken; —
Die de vrocmste es, zal int ende blijcken.
]^ie Lovenaei-s scoten in dat heeir,
Ende theeir dede ooc int scieten zijn eueren ,
Die Loveuaers setten hen in hun deeir.
Die si doot scoten, die moesten besuren.
Die vianden raceten poorten, torren, muren,
Maer tmoeste anders treffen, soudt ghewonuen zijn
Nochtans alst were geroet is, tmoet ghesponnen zijn,
Maer, mits dat vandcr poorten viel een scavac.
En dat die vianden mits scieten vast naecten,
Ende dat een scuet een clooster duerbrac,
Soe dat si een kint op die l?iest gheraecten,
Zoe waest, dat die vroukens jammer maecten.
Si verhuysden, en die fame vloech seer haest; —
Eylacen, darm volck es haest verbaest.
Men giuc sprake houden: twcrde bestant;
tScieten wordt gheset, sonder veel ghescals, af,
!Merten wou weer die stat hebben in zijn hant,
Maer wat hij seyde, men sloech van als af;