Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 227 —
Daermede werde elck nae Loven ecu tredere,
Men saehse dalen den lloeselbercli nedere,
Greticli, heet, deurlopende hagen en heggen; —
Hoe nader hoe heeter, dats een oudt seggen.
Loven was beruert, men gincker stormen.
Want si mochten sorgen voer doverlast.
Niet wetende tgetal van die heische wormen.
Die schenen dick en breet opeengetast,
8i quamen nader en nader vast;
]jovcn wouden viant met sorgen verwachteji,
Want den viant cn salmcn niet verachten.
Merten, buyten der brncselscher poerten,
Maccte zijnen legcl omtrent der banc.
En by Calvaricn, met zijnen consorten,
By die wijngaert-poerte, op die velden lanck.
Achter die bergen maecte hy zijnen ganck,
Bedorven de vruchten, wijngaert, prieel; —
Daer de vianden zijn en blijft niet f^cheel.
Loven en had binnen ruyter noch knecht.
Dan twee oft drie hondert sobere Walen,
En een hantvol reysers niet oprecht,
Dicmcn moest bidden en te voren betalen,
Noehtans zijn breet en wijt die lovensche palen.
Dus was Loven vol rumoers en vol doens; —
Een groote ydel stat heyscht veel ganiisoens.
Die borgers, die elereken cregen eenen moet,
Blijvende byeen, al soudmen se afstroopen.
Met den lantman, die sijn beste doet;
Men saeh sentters, elereken monsteren met hoopen,
Ende liier eude daer ter vesten loopen.
Men bracht hen spijse ende drauck met herten milt^
tGaet wel daer deen den anderen helpen wilt.
Int gemeyn puepele elck giuc hem rasschen
Ter vesten, ja vrouwen en kinderen,
Die gingen dragen stcenen en asschen,
Reepen, peek, cn wat den viant mocht hinderen.
Die jonge dochters en wouwent niet verminderen^
Want deen was goet leex, dandere goet clercx,,
En vele Imnden maeeken veel wercx.