Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 103 —
Daer gliiugdi cokeu, brouwen, en baekeu.
En rooven rontsomme iiaer u gevoeeh,
Te Roosendael oeck daer u volck aensloecli,
Ghi aenveerdet, seggende: „tmoet volduert zijn;
Soumen wat crigcn, tmoet geavoutuert zijn."
Daerentusschen voer oeck "VValem also,
tWorde gepielleert sonder obstacule,
Gelieel bedorven by u volck seer suo,
tWalems bier moechte daer doen iniracule,
Eick huys was daer als ecu fcvberuacule,
Decs twee vriheden waren vernaenipt ghcert, —
Maer alst God gehenct eest hacst verkeert.
Ten lesten, Merten , voer uwen adieu,
Hebdi decs twee vriheden ontsteken.
Dus duer u erchcyt, al even nieu.
Vielen daer die huysen, het heeft gebleken;
Ghy verdient dat men u elck let soude breken,
Ende werpen iu tvier sondcr enich vcrlact.
Want die pene moet volghcu den mesdact.
Maer dat crchstc en quaelste exempele.
Was, daer een boeswicht wou thoochstc vieren,
Vant liy te Walcm ontstac den temple,
Hoglie ende scone, niet oni verdieren,
O valsche knecht, aes der lielscher gieren,
Ghi zijt erger dan ttivken, heydcnen, oft joden.
Want die heydenen, die eeren toch hun Goden.
Merten, waer heeft dou keyser aen u verdient.
Dat ghi sijn landen dus stelt in swichtc?
Ende die Coninginne, wijs geëiigient,
Dat ghi haer eere doet met sulcken lichte?
Si hadt te Mechelen recht int gesichte,
Dwelck oec haer oogen wel dede crinckcn; —
Ic seg ondaucbacrhcyt moet voer Gode stincken.
Den leger te Dufl'el hebdi opgheheven.
En hebt den wcch naer Loven ghenomen,
Daer zijn oec courssen tot by Mechelen ghedreven,
Daer die Coninginne was te voren gecomen.
Met haren raede, tot onser vromen,
Doende haer te spijtc al sulcke feyten; —
13