Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 220 —
dWeIck alle die Kempen doer woerde bekent;
Dies men alle lantslieden daeromtrent
Terstont saeli vlieden en al abandoneren,
Want ele sou geerne sijn lijf salveren.
Oersehot, Beeck, en andere dorpen met hoopen,
En voeren niet bat, te dier stout,
Behalven dat elc was wechgheloopen,
Soe dat u volck niemant tlmys en vont,
dEen worde ghebrantscat, dander goet ront
Gliebrant, ghepilleert, met ghelijcke boeten; —
Maer gemeyn ongeval mach weynich versoeten.
Boven Oesterwijck leyddi uwen legele,
By een wintmolen, op een hooch velt.
Voer u sloech Mars zijn plaghe, zijn vlegele,
Met rooven, met erachte, en met ghewelt,
Daer crecchdi duer brantscattiuge groot gelt,
En van ranssoenen niet om vervelen; —
Wee hem die rije wordt met rooven, met stelen.
Ghy deet Hoochstraten aentrecken tgoreel ooek,
Swaer gebrantscat, berooft int speciale,
Ghi hebt doer listen ghecregen tcasteel ooek.
Met tromperie, en met logentale,
Ghi ontvaerdet tghescut, maer niet teenenmale.
Noch bleeifer op den wech int water ghedoken,
tEs beter een let, dan den hals gebroken.
Merten, wat had u misdaen die Kempen groff,
Dat ghise zoo ginct doerloopen en slichten.
De vruchten seinden, bederven huys en hoff.
Vangen, spannen, wechvueren, brantstichten,
Den lieden, rijck en arm, doen swichten.
Dit zijn al u vruchten, slaedijs wel goom; —
En aen de vruchten soe kent men den boom.
Die Kempeneers nu arm en katyvich zijn.
Half desperaet, soe men mach geloven.
Die sommighe doet, en, die noch lyvich zijn,
Die sullent gaen stellen opt stelen en roven.
Den lieden af-eten, bedriegen, vca-droeven;
Suleke lieden maect ghi doer u praetijcke.
Want gelijck genereert meest zijns gelijcke.