Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 219 —
lEs jammer dat tvolek heu zoe laet bedriegen.
Merten, eer glü u volek Üet porren,
Noeh hebdi raeer bedriegelijck gedaen,
Want ghi den sommigen vileynigen gorren,
Swerte wapenen deedt treeken aen,
Ghi hebt rechte cruycen onder aen gedaen,
Om tc bedecken u groote boeverie,
!Maer quaUe blijft verholen verraderie.
Soe porrende quamdi int lant van Luyek,
En van Keess51e over die Maze,
Als vrinden, sonder der vanen onpluyck,
Quansseuijs, si waren al keysers, ja ze,
Dns waren bedrogen die arme dwaze,
Ghi en gehruyctet daer noch bussen noch bogen; -
Simpele lieden zijn haest bedrogen.
Aldus sydy in die Kempen getorden.
Als vrienden tot sinte Oyenroie,
tGemeen volck dochte: het zal al goet worden.
Want ghi wäret als caex (?) broeders in goie,
Bereet en gewillich tot elcx geboie,
Betalende spijs, bier, en wijn; —
Maer onder honich scuylt wel fenijn.
U erch bcdroch es haest uytgecomen,
Daer u wercken verkeerden iu valsche gangen.
Want daer elc thuys was tot sijnder vromen.
Heeft uwer elck zijnen weert gevanghen,
Daer sach men se binden, spannen, en pranghen,
En wech vueren, want tvolc was verheert; —
Schoon weer wordt haest in vuyl weer verkeert.
Daer werdt gepilleert geestelijck, weerlijek,
In huysen, op straten, ja in der kercken,
Gedreycht, gheslageu, gestooten deerüjck.
Luttel yemant eouste hem ontvlercken.
Men sach daer oeck mordadige wercken,
Vloeckiughe, banninge, en maledictie; —
tEs jammer te siene al sulcke atHictie.
Ten eynde eenen haen met den rooden camme.
Liet ghi al daer voer u wapen yent.
Want men sach terstont daer vier en vlamme,