Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
, — 202 —
1531.
J^ker Baltzér.
[Het volgende lied bezingt de laatste ongelukkige poging
van Kristiaan I, den verdreven koning van Denemarken,
om zich in ' het bezit zijner staten te herstellen. Als
Karei V's zwager had hij in Nederland zijn toevlucht ge-
zocht, daar wapende hij zich en van daar trok hij (m het
laatst van Oktober) tot de herovcrin{j zijner rijken. Met
welken uitslag is bekend; wel viel hem Noorwegen aan-
vankelijk toe, maar weldra door de vereende krachten van
Zweden en Denemarken weerstaan, vond hij zich den 31®«»
Julij 1532 genoodzaakt, zich aan den deenschen admiraal,
den bisschop Gyllenstjerna, over te geven, en bracht de
overige 17 jaren zijns levens in gevangenschap door. — In
het lied schijnen er voor het laatste en slot-kocplet eenige
verloren te zijn gegaan. De Jonker Baltzer, die er in ver-
meld wordt, is Jonker Balthasar van Esens, dien graaf
Enno II van Oostfriesland, in 1530, voor zijne roofzieke
tochten strafte; de beide landsheeren, in het derde koepiet
vermeld, zijn de graven van Oostfriesland en Oldenburg,
tusschen welke, door bemiddeling van Kristiaan van Dene-
marken en Eloris van Buren, de vrede hersteld was door
een huwelijk des eersten met Anna vau Oldenburg.]
Eyn nye ledt wy heven an.
Dat best dat wy geleret han,
Eyn nies ledt to singen,
Juncker Baltzer nam eyn hupen landsknecht an.
Den graven wold he dwingen.
Wy toegen dem graven yn sijn landt.
Dar hebben wy gerovet und dapper gebraut.
Vor dem graven was uns nicht leide.
He doerfft unser nicht vorbcidcn.