Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 198 —
Hy woude sijn handen wassen in der borgeren bloet;
Jaeob van Nievelt, Eerst van Amerongen, Jan van Wijek
(Dircksoon,
Dees en dochten niet- te hebben alsuleken loon, «
Geurt die Coninck, die doe burgemeester werd gekooren.
Met Adam'van Diemen, soo als ghy sult hooren,
Sy wouden metten bannier groot ontsich maecken,
Da^r brochtea sy deu borger mede opter straten,
Sy stonden op de plaetse en lieten de bannier vallen,
Daerom sachmen dat haer dingen waren al mallen,
Sy stonden en beefden, al hadden se gehadt int oor een luys,
Sy riepen die goet Soudalchs zijn gaen voort wanthuys.
Dit was de wijsheyt van dees regenten en heeren; —
Alst Godt wil soo salt eens weder-keeren.
Dolle Gijs, "Vera, enz.
Heer Jan van Renes, Melis uytten Enge, Aert van Wulven,
Dees quamen met een deel voort raedthuys bulderen,
Sy wouden daer een deel uyt den raedt hebben geset.
Sorgende dat heur boeverije sonde worden belet.
Want sy en wouden geen recht hebben gedaen;
Gerrit Knijff, burgemeester, gcneuchden hier wel aen.
Want hy was een opsetter van dit leelijck verraet.
Omdat hy somtijts gestraft worden in zijnen nijdigen raedt;
Dese reehtstoringe ende violentie, aen den raedt gedaen,
Daer en was niet met allen aen misdaen,
Gerrit Knijff, verrader, lachten nu uyttermate seer.
Want hy wordense quijt, die sochten des rechtsfeer,
Cornelis van Meerteu, Soutmanneken, alsoo geheeten.
Die woude hebben dattet alsoo wort gesleten;
Seven goede mannen mosten van dat raedthuys gaen,
Daerom salt radt van avontuyren noch wel omslaen.
Dolle Gijs, Vera, enz.
Sy maecktcn eenen aenslach boven Inder stadt,
Ende riepen: Beyeren, Beyeren, dat al waren mat;
Geuit Foeyt riep dat hy onderwegen moste blijven.