Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 17G —
Sy OTer-droegea tsamen in heuren heymelijcken raedt,
Sy souden van Mareus Wees maeeken een postnlaet.
De deeeken van Sinte Pieter stooekte seer toe dit quaet;
Want hy hadde tegen den borgeren eenen grooten haet, .
Noehtans was hy raedt van den hooehgebooren vorst;
Maer die nijdieheyt staek hem te seer in zijn borst;
Heuren reehten heer wouden sy uyt het landt jagen
Nae Heydelbereh toe, by sijn vrunden en magen.
O, verblinde geestelijcke beeren, siet doch eens om,
Want uwen heer dus te verjagen en ghy en weet niet waerom,
Scliaemt u deser booser scliankelijcker oneeren,
Alst Godt verdriet soo salt wederkeeren.
Dolle Gijs, Vera, enz.
Jan van Mijnen, die meester is van dit spel.
Dat weten nu dc geestelijke ende weereltüjcken wel,
Hy heeft ons al te samen seer qualijck besorcht,
Hy sie dat hy daer selver niet aen en worcht,
Hy heeft die borgeren tegen malkanderen gebrocht.
Met groote leugenen heeft hy die gilden versocht.
Dat wy al tsamen sullen moeten bekoopen.
Want die kloot en leyt niet, die sal noch wonder loopen,
Gerrit van Nieveld, Melis van Mijnden, die quamen in,
Steven van Zuylen met sijn vrienden, die hadden hen meer
(of min,
Al of sy die stadt ingenomen hadden met gewelt,
Daer hem nochtans die goede borger soo stille helt;
Sy namen die plaets in, den raedt wert afgeset;
Sy mosten met haer partijen sijn besmet.
Die de stadt souden regeren voortaen,
Daerom salt radt van avoutuyren wel omslaen.
Dolle Gijs, Vera, enz.
Daer wasser oock een deel van den geestelijeken staet.
Die hen selven setten schoen op die maet,
Daermen hier nae wel of sal weten te seggen,
Sy gingen in haer religie voor dat raedthuys leggen,