Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 162 —
1506.
Graaf EdzarcI I (de Groote) van Oost-Friesland
in Groningen.
[Hertog Albert van Saksen was in 1499 als Erfstadhouder
van Friesland gehuldigd, en had zich ook in Groningerland
door de kracht zijner wapenen weten te doen gelden; in
1504 verkocht zijn zoon Hendrik het beheer over zijne
gewesten aan zijn broeder Joris, die, hoewel door de
Friezen erkend, te vergeefs de stad Groningen, die steeds
de saksische heerscliappij was blijven weeren, zocht mach-
tig te worden. De stad zocht, in 150G, steun bij graaf Edzard,
die nog het vorige jaar met Joris gestreden had; met welke
vreugde hem de burgers van Groningen welkom heetten,
zeggen ons de woorden van Eggeric Benninga, den kroniek-
schrijver, even als de volkszang, dien hij ons meedeelt:]
„Als nu grave Edzard in de stadt quam, is he van den
gemenen borgeren, ooek geestelick und werltlick, mit groo-
ter reverentiën wel ontfangen; leten al ohr gesehut und
klokken ohm to eeren a%aen und luiden. De kinder up
der straaten veranderden de lovesanck van den upstan-
dige Christi:"
Christus is upgestande.
Heer Vyth moet nu ulh deisscn lande.
Des willen wy alle froh sijn,
Grave Edsard wil onse troost sijn.
Kyrie Eleison.
[Heer Vyt,h is Vijt van Traxdorp, de ruwé krijger, die
met zijne lanskneehlen, onder Joris en Edzard, Gro-
ningen belegerd liad; hij „handelde so wreellikcn mit de
trauen und mageden, so ut der stadt quamen edder ((?/) daec
in wulden; laet ohne [haar) de kleeder So hoog, dat se
sich nicht konden bedecken, gelick H^un Davids knech-