Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 161 -
Die kynder singher fan by der straten. —
O sötte üroniiighen! matich dijn toern;
Den strijt hebstn teglieu Fraenker verloern.
Die eroea sal IVaenker boven dy draghen,
Um dattu unt Westerlant biste verslaghen.
Sehaemdy, du buer! heb grote schänden,
Dattu edele vrouwen holdest in banden;
This nie ghehoert in onse landen.
Die liouden moetten dy schocren mit tanden! *
Men en kans niet toe vollen dichten.
AVie keu van hoer sotheit swichten?
Moch hebben sie veel meer quaets ghedaen:
Keroken, cloesters deden sie opslaen,
Ende glasen, ende costeryen mode ;
Goedes liuysen hadden gheenen vrede;
Kisten, tryzoren worden daer opghebroken;
Sie sochten tghelt in alle hoecken;
Golt ende silvcr wast, dat sie sochten;
Dat waren die rechten, die sy in Westerlant brochtea.
Mit moerdenaers ende mit straetroewers was dijn verbont.
Du moeehste dy schamen, toe allen stout,
Diju groote hoechmoet en dijn stiuekcnde hocvaort.
Die edele Fraenkers hebben dy niet ghespaert.
Ghy, edele Fraenkers! weest wel ghestelt.
Die keerls hebben ghy mit hopen ghefelt.
Ghy, edele vrouwen ! draecht guet moet,
Om dat ghy holden hebt lijf ende guet.
U mans neemt vriendelie in uweu armen;
Soe moeehdi eickander soetelicken bewarmen,
Mit cussen , mit helsen , mit ander vlijt;
Soe suldy vcrdryven uwen tijt,
Eude cussen clckander voer den mout.
God spaer u lang ende altijt ghesont!
Jhesüs eude !Maria, die willcu ons benedijen.
Van deser uren tot allen tijen;
Dat sie ons moeten behoeden ende beschermen
Voer deu ewi^hen strijt! seght alle gader: Ameru
11