Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 160 —
Daerop scKut, knechten, ende pryvant.
Thoe Harlinghen haelden sie groten schant.
Hoert, wat verbont hebben sie toe Sneeck ghebrooht:
Daer hebben sie Bocka, ]iOw, ende Sytthyeni coft
Van Daein vau TijP, Judas broeder wreet.
Die heft dese heerscappen brocht in verdriet.
Judas verbont dat is niet cleyn;
Groninghcn! du holdest rait hem ghemeyn. —
Och, hoert van dese versoerden sotten !
Hoe wel mach Jfraenker mit dy spotten!
Sie hebben verloren bussen ende glupen;
Nae Groeninghen ghinghen sie weder slupen;
Die blockhuysen moeten sie daer laten staen blyven ;
In Westerlant konden sic uiet bedryven.
Cloestcren, heerscappen hebben sie ghedwonghen:
Sie sijn weder uut loer verbont ghespronghen;
Priesteren, bueren ende veel dorpen.
Vry Vrieslant was onder die voet gheworpen.
Noch willen wy van hoer sotheyt spreken.
Schutters vanden Dam quamen ende woldent wreken.
Dese ghecken woldent al toe breken.
Wijf ende kynd den hals af steken.
Thoe Fraenker meenden sic dat te doen;
Die keerls waren niet soe koen.
Oeck woldcnsie bestormen die cleyne stat.
Om Fraenker lach menigh path,
Te ryden, te voet, ende oeck toe waghen;
Waer sie quamen, sie worden gheslaghen.
Waer sint nu hoer bussen ende eatten,
Daer sie Fraenker mede wolden matten?
In Westerlant hebben sijs ghelaten.
1 Bocka Harinxma hoveling te Sneck , Low Donigha «ijn zwager,
en Sytthya Harinxma van Ijlst,
2 De hoofdman der Gelderschen (lie bladi. 150) die do drie boven-
gemelden gevangen hielden; de Groningers , door de Sneekers om hulp
geJ^oepen, kochten de knechten voor ƒ8000 af, maar voerden de edelen
gevangen naar Groningen.