Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— läi —
Wy willense noch dryven nae onser hant. —
Ecn raetsman sprac: ic kans niet nomen.
Veel bloets te storten en solde niet vromen»
Laet ons den slapenden hont niet wecken,
Soe doet men hier namels niet mit ons ghecken. —
[Meyster Willem sprack: wij willeat anders anstellen;
Wy willent laut mit blockhuysea quellen. —
Die raetsman sprac: Meyster Willem! ghy sijt al bolt;
Het wil noch costen silver ende gholt;
Als wy die blockhuysen hebben ghebouwen,
Kiet lauck daernae iiet mocht ons wel rouwen. —
Bertolt die Graeff, die quam daer voert:
Wel an, ghy heren ! hoert my een woert:
AVy willen daer bringheu soe menich man,
Eracniker kan ons niet ontstaen.
Eraenker toe winnen , het waer wel goet,
Vonden wy daer gliien wederstoet. —
Tzaling Lywazoen i sprac: dit dunct my wel goet.
Ghy, heren van Groningen! weest wel ghemoet;
Toe Harlinghen willen wijt eerst anstellen;
Daer mocchdi die Eraeukers altijt quellen
Vant bolwerck, ende vau Roerdama-hues;
Wy willen daer laten niet een cruys. —
Tzaling! ghy doet n seer vermeeten,
Dat ghy u in desen last doet steken;
Want Syaerdama2 hebdi al eer ghedient.
Sie hielden n voer hoeren vrient;
Sic hebben u cruyt ende schut ghelient;
Tzaling! het is qualicken verdient.
Thoe Woerkum wacrt ghy oeck Capiteyn;
Daer deed ghy den huysman schatten opt breyn. —
Daer nae is hy weder to Harlinghen ghecomen,
Ende heeft die Groninghers mede ghenomen.
Thoc Eraneker quamen sie voer die poert;
Die wakers sprakens niet een woert;
Die bussen scliotcn al van die brugghen;
Tzaling heerscap keerde weder te rugge.
1 uit Oostergoo, „groninger rooFTechler."
2 Scijleringer edele bij Fraucker.