Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 130 —
Ontboden weder te comen onghecesseert,
Om tbestant He verlieelen buyten eenighen verdriete.
Een ridder, die heer Gherijt van Poelgheest hiete.
Heeft den heer van [Montfoorde, bij menighe sinnen.
Wijs ghemaect, dat Iii wiste Leyden te ^winnen.
tllnys tot Poelgheest, daer hi of was heere.
Gaf hi in handen van Montfoorde, voortmeere
Sprac hi: edel heere, tis tu wen besten.
Mijn lijf mijn goet waghick tuwer eere.
Om wapenen ende sterekmaken liem elck keere.
Omdat wij te Leyden mogen beclymmen die vesten.
Dus is hij een vannegenen mer niet van den besten,
So ic by veel redenen wel soude betughen.
Want hi hem contrarie siinen prinee ghine bughen.
Den eedt, die hi als Ridder heeft ghesworen
Den Roomsehconinck, maehtich ende [edel gheboren,
Die is hi meynedich eude overghegaen,
Sijn arme ondersaten blivender by verloren.
Die hi beraden heeft menighen zwaren toren;
"Verbrant, veriaeeht wordensi, na mijn verstaen;
Hoe soude eenich heer dit hebben g iedaen.
Sonder reden, sijn goetwillighe ondersaten?
Ic moetse beclagen, ie en eans niet ghelaten.
Alle weke had hi van penninghen een somme,
Vauder stadt van Leyden, als die weke quam ommc,
Cruyt, loot, ende ghesehut om tsijne te behoeden;
Dus mach hi wel zwighen vry, als een stomme.
Tot ewighen daghen, want onwillecomme
Sal hi doch wesen, ia, van den goeden
Mer v^lsehe, meynedighe Verraders-gebroeden,
Daer mach hi ghemeenlick mede eonvcrseeren,
Mer nymmermeer onder mannen vau eeren.
Opten dertienden dach in Junio, verstaet my wel,
Souden die ghedeputcerden van Älontfoorde fel.