Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 125 —
Heer Jan van Naeldwijek mit ruyteren in groten glietale
Bringhen die vitaelge nae die stede —
Ter neder gtietoglien heeft meest allemale,
Gheslegen, verdronken, heer Jan gevangen mede.
Doe was Jonker Frans zeer flaen van moede,
Hi vant hem selven in groter blaemte ,
Die gemeente vast van hongher verwoede.
Dat hi niet voort en dorst eomen van sehaemte,
Mer smorghens, opten vijften dach dacrnae.
Liet hi Rotterdam staen ende hevet gheabandoneert,
Mit groten confnyse, twelck was schae;
Wat baet dat hi veel heeft ghetriumpheert?
Sijn regement duerde een ende dertieh weken.
Min eenen dach, te rekenen int puere,
Yeel van sijnre eoorde sijn met hem wtgestrekeii,
* Op een maendaeh, smorghens ter sesler nre.
Nemet in daneke al ist zeer slecht.
Leerkinderen en connen gheen meesters wesen
Eick partye mit zijnen lantsheere recht.
Dat biddic hem allen diet hooren lezen.
Eae bene semper bene fac.
Jhesiis. .Haria. Ursula. Cecilia.
O Hollant, stelt an Gode u sinnen,
U minlick welvaren sulek node siet,
Mer God aimachtieh, wilt dat bekinnen.
Bemint al die ghene die tquade verdinnen,
Ende sijn vrienden bescermt hi voor tverdriet,
Hoe die qiiade sijn fenijn seiet, en aclites niet
Hoort den prophete wt Goods monde spreken:
„Gheeft mij die wrake op ende ic salt wreken."