Boekgegevens
Titel: Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Auteur: Vloten, J. van
Uitgave: Amsterdam: Schadd, 1864
Nieuwe uitg; 1e uitg.: 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, 113: NED 398.87
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205857
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche geschiedzangen, naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht door J. van Vloten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 139 —
door fraasclie cn luikscho benden ondersteund, in het voor-
jaar van 1489, een aanslag op Sint Truyen; de stad hield
zich echter, gedurende den tweedaagsclicu aanval, ouder
medewerking ook der vrouwelijke inwoners, zoo kloek, dat
haar bestormers, hoorende dat hertog Albert met het oos-
tenrijksche leger in aantoclit Avas, onverrichter zake af-
trokken.]
Iu den April, den xxijtc" dach,
"Werden die van Sintruyden bereden;
Vhilips Monsucr, met synen edelen, die lach
Voer Sintruyden, dies waren sy wel te vreden;
Sy meenden haestclijck over die muren te schreden,
Daerom deden sy ons dat eerste beloep;
Hoe vromelijck, dat wy se van boven bestreden.
Dat liun tbioet ter eerden afdroep;
Üp handen cn voeten dat elck die vesten operoep,
Mer sy cn hadden som gheen groot ghewin;
Sy quamen al metten groeien hoep,
Sy clopten voer Bruestem-poert, sy en mochten niet in.
Des tweeden daechs, al in de nacht,
Quamen die van Luyck, dat waren wy vroct.
Hun gheweer, datse hebben met ghebracht.
Dat en was niet om doen eeaich goct;
Dies hadden die Fransoozeu eenen hoogcn moet,
En sehooten al op een vreemde perwaetzc,
Sy sehooten pijlen met virighen gloet,
Mer die van binnen beliielen die plaetse;
Ons vrouwen die treckeden ons die kaetsc.
Al en was hun werck gheen groff ghespin,
Sy worjjcnse met casscy-steenen op hun knaetsc, —
Sy clopten voer Bruestem-poert, sy en mochtcu nict iu.
Des derden daechs, soe wy ^erstaen.
Hebben sy op een nieu beghonneu;
Sy hebbenter hun beste toe ghedaen,
Sy meenden Sintruyden wel hebben ghcwonncn;