Boekgegevens
Titel: Herinnering aan Petrus de Raadt
Auteur: Kramers, J.H.
Uitgave: Rotterdam: Kramers, 1863
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 674 D 42
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205848
Onderwerp: Pedagogiek: opvoeding binnen opvoedingsinstellingen
Trefwoord: 1800-1900, Pedagogen, Bibliografieën (vorm), Raadt, Petrus de
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Herinnering aan Petrus de Raadt
Vorige scan Volgende scanScanned page
no
studiën in hel algemeen, ik wil niet vragen waarom
men zich zoo veel bezig houdt met deze en gene vak-
ken; maar wel mag ik mijne verwondering te kennen
geven daarover, dat zoo velen de studie der welsprekend-
heid niet met meer ijver voortzetten. Men zal niet ont-
veinzen willen dat die studie vrij schraal moet uitvallen,
waar de geschiedenis van het Engelsche Parlement ont-
breekt , waar de scholen van pitt en fox weinig meer
dan bij name bekend zijn. En toch! Hoe weinigen zijn
er, ook ouder hen die zich voorstellen om of op den
kansel of in de pleitzaal in het openbaar te spreken,
hoe weinigen welke deze aanzienlijkste school onzer he-
dendaagsche welsjirekendheid grondig bestuderen.
Gij dan, zeer beminde leerlingen! vergoedt gij voor
u zeiven, wat ik mij verpligt acht u vooraf te doen
kennen als een vermoedelijk gebrek in uwe studiën.
\'\'ilt gij leeren wel spreken, leer het van den grooten
william pitt. Hij, die mijne pas geuite stelling, aan-
gaande den jeugdigen overgang tot de universiteit, om
verre werpt, hij die ruim 20 jaren oud niet meer ge-
zeten was op de banken der leerlingen, maar op die van
het Lagerhuis, hij die u toont dat de mensch reeds
op dien leeftijd de bezadigdheid en den rijkdom van
ontwikkelde geestvermogens bezitten kan, u mogt hij uw
bewonderde voorganger in de welsprekendheid worden!
Hen nacht van den en S»"™ April 1792 had het
Lagerhuis doorgebragt met debatten over het al of niet,
afschaffen van den slavenhandel. Onder de geliefkoosde
ontwerpen van piit behoorde ook deze afschaffing. Hij
kon dus niet van zich verkrijgen om dezelve niet aan
te prijzen en te verdedigen, hoezeer de zitting reeds zoo
lang geduurd had, dat hij meende zijne redevoering niet