Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
!),ö
»Als het zoo zijn moet, ja, mijn weldoener!" zeide Frank
zacht, en Tan Schaffelaar sloeg zijn gewapenden arm om den
niitor, drukte hem tegen de borst, en riep: »Vaarwel, Frank!"
»Maar wij scheiden nog niet!" riep Frank, op zijn zwaard
slaande, terwijl hij het schild omlnng, »eerst moeten nog de
Zwarte Ruiters uw----" Doch lüj zweeg; want 1'errol riep
luid: »Waar blijft Van Schaffelaar!"
»Ha! hij zal komen," schreeuwde Frank. »Xu gaan wij immers!"
vroeg hij met drift.
».la!" zeide Van Schaffelaar, die nabij de trap stond, zijne
wapens in orde bracht, den helm terecht zette en met deernis
de zwakte zijner ruiters zag. »Houdt u allen gereed; wij vei'laten
den toren; maar liet schild met mijn wapen kan ik niet achter-
laten, hot moot mij in den dood vergezellen!"
»Ik haal het voor u," riep Frank, en wilde hem voorbijgaan,
maai' zijn vriend wees hem met de hand terug.
»Van Schaffelaar!" riep Frank, de handen vouwende: maar de
aanvoerder zeide gestreng: »ik wil gehoorzaamd zijn!" en ver-
volgde vriendelijk: »zijt gij geen man van mijne bende meer.
Frank! dat gij u tegen uw aanvoerder en vriend verzet?"
Moedeloos liet de jonge ruiter het lioofd voorover zakken en
trad terug. »Zoo is het wel!" zeide Van Schaffelaar aangedaan
hem met de hand op den schouder slaande, en hij beklom do
trap. Zijne ruiters zagen elkander aan: maar Frank hield alleen
het oog naar boven gewend: hij zag den aanvoerder op den
omgang komen, en naar de voorste zijde van den toren gaan:
hij zag, hoe hij het schild, dat aan den riem hing, losmaakte,
met de hand over de kleuren van liet wapen streek en het
voorts om den hals hing. Toen zag zijn vriend naar hem en
knikte hem vriendelijk toe. Frank schepte weder adem; maar
daar richtte Van Schaffelaar zich op; zijn oog was vol edele
geestdrift, terwijl het over zijne ruiters ging: zijne .stem was
aangedaan, maar vol vuur; hij riep: Mannen! ik wil u iit f/een
la.il brengen, ik moet toch eenmaal afervenr' en wenkte hun
als het ware zijn laatst vaarwel toe.
'O Crod! Van Schaffelaar!" gilde Frank, en snehle naar boven ;
de ruiters volgden hem, zoo machteloos als zij waren, doch zij