Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
Ik heb zij in 't eerst voor het oog niet zoo mooi,
Toch gaat hij bij al wie het deeglijk' waardeeren
Yoor dnizend Ochhaddiks, die, schittrend van tooi.
Op daken of boomen hun lied kwinkeleeren.
Ikheb leit u daaglijks een eitje van goud
In 't kooitje, tot vriendlijke woon hem gegeven.
En toontjes, waar vredige vreugde van houdt, —
Hij zingt ze gestaag en vervroolijkt uw leven.
Doch raaktet gij op een Ochhaddik belust,
En drijft u de zucht om dien vluggerd te krijgen,
Vaarwel dan genoegen! vaarwel dan uw rust!
Zoolang als ge leeft, zult ge jagen en hijgen.
Met kloppendeii böezem, nu ginder, dan hier.
Bespeurt gij hem telkens in pronkende veder;
En denkt gij ten laatste, nu grijp ik het dier,
Dan, wip! en wat verder, daar ziet gij het weder.
Geloof me, wie 't ware genoegen begeert,
Die zorg' zijn Ikheb in zijn kooitje te shuten,
En komt een Ochhaddik, die loos kwinkeleert.
Hij kreune zich niet aan het foppende fluiten.
Jlr. A. Bogaers.
(^Gezamenlijke Dichtwerken. Haarlem, A. C. Kruseman.)
WAT EEN KOKOSBOOM AL GEEFT.
Zeker reiziger trok door die brandend heete streken, waar
men met smachtend verlangen naar een beschaduwd plekje
uitziet en men slechts enkele, ver van elkander verwijderde
woningen aantreft, waar men een weinig kan uitrusten. Hijgende
en uitgeput door vermoeidheid, terwijl de heete lucht, die hij
inademde, zijn brandenden dorst nog vermeerderde, bemerkte