Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
86
jeneverbes of dennestruik vind men, eenige voeten boven den
grond, zijn nest, dat den regelmatigen vorm van een lialven
kogel heeft en uit leem en koemest is samengesteld. Van buiten
is het met mos bekleed, en van binnen met vermolmd wilgen-
hout en het speeksel van den vogel keurig gepleisterd en glad
gemaakt. In dit kunstuk ligt echter nog een wonder verscho-
len, dat tot legenden en bijgeloof aanleiding heeft gegeven en
waardoor men in het Harzgebergte van »den blinkenden vogel"
lioort spreken. "Wanneer namelijk het nest door régen of dauw
vochtig geworden is, geeft somtijds het vermolmde hout een
phosphorachtig licht van zich, zoodat de lijster zelf schijnbaar
midden in een gloeiend nest zit.
Xog bekwamer metselaar is de blauwspecht, dien men ook
wel boomkruiper noemt. Deze zoekt zich eene holte, een knoest-
gat in een of anderen boom, of het verlaten nest van een
grooten specht uit en metselt den al te wijden ingang met
klei- en leemaarde zoover toe, dat slechts zijn eigen klein
lichaampje erdoor kan sluipen, terwijl grootere vijanden buiten
moeten blijven. Dit metselwerk droogt in da hitte van den
voorzomer zoo sterk, dat er wel moeilijk een roover zou te
vinden zijn, die liet verbreken kon. Verder moeten wij onder
onze inlandsche metselaars de ekster niet vergeten. In de
slanke bovenste takken van de dichte kruin der populieren.
elzen of andere boomen en meestal vlak bij de woningen van
menschen, vindt men het nest van dezen listigen dief, die van
daar uit op moord en roof uitgaat. Dit laatste gaat ons echter
op dit oogenblik niet aan; wij willen alleen den bouw van zijn
nest, als tot ons onderwerp behoorende, eens opnemen. Op een
grondslag van sterke twijgen brengt de ekster eene dichte laag
vochtige aarde aan, die, ofschoon niet tot de kunstigste be-
hoorende, toch eene soort van metselwerk te noemen is; dan
volgt eene laag van fijne wortels en takjes en eerst daarboven
oen kussen van veertjes, haren, enz., waarin de nestholte
gemaakt wordt. Ook over haar nest spant de ekster eene uit
losse takjes gevormde bedekking, waardoor zij eene groote uit-
zondei'ing maakt op de meeste harer natuurgenooten. Meer
echter dan om den aard van zijn werk verdient deze vogel om