Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
85
ons aan den vlakken oever van een moeras of vijver, waar
honderden zwaluwen met groote drukte bezig zijn. Wij voelen
ons reeds terstond tot haar aangetrokken, zoo bekoorlijk als zij
er uitzien met hare blauwzwarte rokjes en witte broekjes, maar
Avij krijgen hen nog veel liever, wanneer wij nauwkeurig haren
nestbouw gadeslaan. L)o meeste zwaluwen maken hare nesten
van slijk of modderachtige aarde; de aardige huiszwaluw aan
de buitenzijde der gebouwen, de boerenzwaluw onder de daken,
op vlieringen, enz. Het nest der eerste, dat meestal vrij liangt
of ten minste slechts een geringen steun van onderen heeft,
is veel kunstiger dan dat der tweede soort. Beide hebben den
vorm van het vierde deel eens kogels, dat der hidszwaluw is
nog iets meer halfrond en heeft een nauweren ingang. Bij het
bouwen wordt liet eene kluitje na het andere in den snavel
aangedragen, ze worden op elkander gepakt, nu en dan met
tusschengevoegde lange haren of dunne strootjes bevestigd en
nooit wordt voortgemetseld, voordat het eerste gedroogd is. Op
deze wijze verkrijgen de zwaluwnesten zulk eene vastheid, dat
zij wel zeven jaren en langer gebruikt kunnen worden. Bij ieder
nieuw broedsel behoeven zij dan alleen maar gereinigd en op-
nieuw van binnen gevoerd te worden. Dit laatste doen de
zwaluwen met zachte halmen, wol, veertjes en dergelijken.
Onder al deze, tot de metselaars behoorende, soorten aclit men
de kunstigste de Amei'ikaansche rotszwaluwen, wier bijzonder
regelmatige, uit leem en zand gebouwde nesten in rijen naast
elkander hangen. De kunstvaardigheid der zwaluwen heeft reeds
de opmerkzaamheid van de natuurkenners der oudheid tot zich
getrokken, en Plinius verhaalt zelfs de wonderbare fabel, dat
zij eens in "Egypte in troepen van duizenden een dam tegen
de overstrooming van den Nijl opgemetseld hebben.
AVij hebben echter onder onze bekenden nog andere metselaars,
die niet minder goed hun werk verstaan. Wanneer vroeg in
het voorjaar het liefelijk gezang van den lijster ons hart verrukt
en het bosch met zijne iirachtige kerkbogen daardoor in den
heiligsten aller tempels herschapen wordt, wien onzer komt het
dan in de gedachte, dat deze meester in de zangkunst tevens
zulk een uitstekend bouwmeester is? In de dichtste takken van