Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hier staat de beschuldiger, die hem aanklaagt; hier staan de
getuigen, die het feit met eede bevestigen, zeven in getal; wie
zal den misdadiger nog verontschuldigen?
Te vergeefs is het, dat hij terugwijst op vroegere dapperheid
en liier zijn overmatigen dronk in rekening brengt: zulk een
vergrijp duldt geene oorzaak, welke dan ook, want het mag
niet bestaan.
En de uitspraak der rechters is eenparig deze: Hij worde
uitgesloten van het gemeenschappelijk offeren; hij moge niet
meer verschijnen in de vergadering der vrijen: lüj zij eerloos.
En de kring, waarin hij staat, wordt eensklaps ruim, want
allen rondom hem heen trekken den voet terug van de plek zijner
nabijheid. Dat is het voorspel van wat hem voortaan wachtende
is: evenals thans op dit heideperk, staat hij van nu aan in den
ganschen stam alleen. Zijne verwanten schamen zich zijner, zijne
vrienden begeven, zijne bekenden ontwijken hem, hij is baUing
te midden zijns volks en zijn erf staat als eene woeste hoeve
in de volkrijke vlakte.
Hij jaagt en zijne metgezellen zijn slaven. De vrije man, die
hem ontmoet op de heide of in het woud, keert zich van hem
af en wendt zijn pad en roept zijne honden van die des eerloo-
zen terug. Hij vischt en zijne metgezellen zijn slaven wederom.
De vrije man, met wien de golfslag hem in de nabijheid brengt,
grijpt haastig de spaan en verbreedt de ruimte, die hen schei-
den moet. Hij speelt en zijne dobbelgenooten zijn slaven nogmaals.
Geen vrije man zet een voet over zijn dorpel, of liever — ge-
naakt dien.
Hij dwaalt door de mark. Onder de schaduwe eener lommerrijke
linde, rondom wier geurige bloesems de mommelende bijen gon-
zen, zitten eenige vrouwen bijeen, bezig met het breken van
graan, sommige in een mortier met den stamper, andere tusschen
twee steenen. Hij komt naderbij, maarzij slaan, zichtbaar willens,
geen acht op hem. Hij spreekt een groet; niemand harer beant-
woordt dien. Hij prijst het maaksel eener schaal en de hooghartige
^Touwe, wier eigendom dat is, neemt het vaatwerk terstond op,
werpt het verre van zich, zoodat het bij den val in scherven
uiteenspat.