Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
69
op de plek, waar we ook een grondel iiithaalden, waagde een
onzer te zeggen.
»Op denzelfden tijd! Warempel niet. Dat kan niet; dat hou
ik impertinent ') vol. Den volgenden dag kan je er zoo'n naar
ding gevangen hebben, dat strij ik niet tegen, dat is juist, wat
ik zeg, daar zoo'n grondel de plekken opzoekt, waar de groote
lui wonen, om er ook voor door te gaan. Maar jelui hebt er
eigenlijk geen begrip van wat visschen is en wat den visschen
toekomt. Ik wijt het jelui volstrekt niet, want het is de schuld
van je tijd. Er is eigenlijk geen visch meer . . . dan had je in
mijn jongen tijd moeten leven!"
»En, Bram, hoe lang is het dan geleden, dat je dobbers zoo
vol zaten, dat je ze bijna niet op kondt halen?"
»Wel, dat 's nog geen veertien dagen geleden, maar ik weet de
plekjes ook nog vanouds . . . Daar heb je gister — 't was een
slechte wind, een buiten wind, luets te retrappeerenzou jelui
zeggen. Toen dacht ik bij me zelf, juist een weertje om den
houtwal van Mijnheer Vincent op te zoeken, daar zal het luw
wezen; ik had er jelui den vorigen dag wel gezien, maar ik
dacht zoo, die zullen me den boel wel niet wegvangen." Bram
kneep de oogen weer dicht; we vonden lieni nu niet politiek,
maar wel scherp en kwetsend. »Ik maakte mijn simmetje los,
stopte mijn pijpje, deê mijn vischje aan den haak, een klein
vorentje, springlevend, waar ze dol op zijn en wachtte nu maar
trankiel, dood trankiel. Daar begon het lieve leven, ik merkte
zoo wat — een echt visschersoog kan 't maar alleen — mijn
aas was gezien; ik wist nog maar niet zeker door wie ... en
njinder dan een halfponds baars of een ponds snoek wou ik niet
hebben; ik ging verleggen; de ander me achterna; ik was er
nog niet zeker van, ik ging nog eens verleggen en toen zag ik
een schot door het water. Ik heb je, ouwe jongen, murmureerde
ik, en weg zonk mijn dobber, alsof hij er nooit geweest was;
') Onbeschaamd. Bram bedoelt pertinent, d. i. behoorlijk, op redelijke
gronden.
Bram wil zeggen attrapeeren, d. i. vangen.
Trankiel: kalm, bedaard.
r