Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
de spuitgasten. »In Gods naam, water!" gilde de menigte, alsof
't niet te laat ware____
De man met de ruige muts drong intiisschen door, tot hij
vlak voor het brandende liuis stond. Hij stoorde er zich niet
aan, dat een regen van vuur op hem neerviel, ilet één sprong
was hij in de vensterbank van een der benedenramen, waarbij
hij zich aan de spijlen der ruiten vasthield.
"Wat bewoog dien man zicli zoo roekeloos in het gevaar te
begeven? Doch hoor, daar klinkt weer zijne forsche stem.
»Hondengoed !" roept hij. »Jelni laat de menschen verbranden
voor een gulden of wat. Waar zijn ze? Zijn allen gered?"
Hij wachtte. Een rauwe gil, zooals een mensch in wanlioop
dien slaken kan, gaf antwoord. Die gil kwam niet uit ile
menigte, niet van de straat, maar van boven uit het huis. 't "Was
de gil van eene vrouw. Had zij de vraag gehoord? Gaf zij
antwoord? "Wie zal 't zeggen?..... »Ik kom," antwoordde do
ruigmuts, terwijl zijne stem ondanks zijn zelfbedwang trilde.
»Je hoort liet, ellendelingen? 't Is hier om een menschenleven
te doen."
3Iet een sprong was hij weer beneden op de stoep, en eer
iemand het beletten kon, of ook maar begreep, wat er gebeurde,
verdween hij in het brandende huis. 't Doet er niet toe, hoe
hij daarbinnen de trap vond, hoe hij zich door rook en smook
een pad wist te banen, maar geen vijf mimiten nadat hij in
den gang van het huis verdween, werd hij op de bovenste
verdieping voor het raam gezien. De menigte, die op eenmaal
tot bezinning gekomen was en in ademlooze stilte had verbeid,
wat er geschieden zou, begroette zijne moedige daad met
gejuich, ja, de spiiitgasten van G en 7 hadden in een ommezien
begrepen, wat hun te doen stond, ilet eene snelheid, die bij
de toenmalige inrichting van de brandweer een wonder mocht
heeten, werden de slangen in 't gereede gebracht en onver-
droten kon nu de slangvoerder zijn machtigen straal op het
gevaarlijke punt laten spelen. Doch 't was alweer te laat. De
man met de ruige muts werd slechts eenmaal gezien en daarna
niet meer. Doch die eene keer bleef voor eeuwig gegrift in de
herinnering van allen, die 't geval aanschouwden. Daar stond