Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
knagen van den tijd en de houtwormen reeds lang half
verpulverd.
Daar kwam de vlam en lekte zich tot verzadiging toe vol
en sloeg hare armen al breeder en breeder uit, tot ze eene vuur-
zee was, die al wat erin neerviel, verzwelgde, die niets ontzag,
geene aanblazing van de buitenlucht noodig had om razend
te worden. N". 347 trapte zelf den geheimzinnigen blaasbalg,
't Tuur loeide als een dolle stier, die den rook in zware wolken
uit zijne neusgaten blies. Alles kraakte en knetterde, zoodat de
menigte, ondanks het gevaar, door het schitterend schouwspel
vergat, hoe de klok zoo, zoo twaalf uur zou slaan, en het oude
met het nieuwe verwisseld zou worden. »"Water!" gilden de
brandmeesters en sloegen met het stadswapen op de nog
altijd vechtende spuitgasten. »Water!" gilde de menigte, en
liet, in haar angst vertrapt of doodgedrukt te worden, geene
enkele spuit meer door. »Water!" gilden de straatjongens, tot
ze niet meer konden en ze wonden onderwijl in de gauwigheid
de slangen om een paal of staken er met een mes gaatjes in,
om 't uit te schreeuwen van pret, als de fontein hoog opspoot
en al de mensehen kletsnat werden. En intusschen brandde
n®. 347 rustig door____
Daar drong een reusachtige kerel, met eene ruige muts,
door de menigte, liet zijne breede schouders brak hij zich eene
baan. Met zijne zware knuisten, die als een moker neerkwamen,
smeet hij de belhamels van spuit 6 en 7 uit elkaar. »Beesten-
goed!" brulde hij. »Doe je plicht, of ik breek jelui allemaal
den nek. Zijn er nog menschen in huis?"
Die eenvoudige vraag, met de stem van een stentor uitge-
sproken , klonk over de hoofden heen en bracht de opeengepakte
massa tot bezinning. Men wist niet, of er nog menschen in het
huis waren. Men had, in de pret over het schouwspel en den
edelen naijver om de premie te verdienen, aan de mogelijkheid,
dat daarbinnen natuurgenooten verbrandden, niet gedacht! Groote
God! als die vraag eens een feit betrof! Als die rook eens een
of meer menschenlevens verstikt had, voordat hij majestueus
in de lucht opsteeg! Als die vlam eens een moordenaar was in
stede van het product van vuurwerkkunst! »Pompen!" riepen