Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
ik eerst vreesde: want er kwam eenige dagen daarna gelegen-
heid om naar Curaeao te varen, waar ik »de Prins te paard" bij
geluk nog vond, die juist het anker zou lichten en je kunt
denken, hoe zij allen te kijken stonden, toen zij mij in levenden
lijve weerom vonden, want zij dachten niet anders, of ik had
uit de groote spoelkom gedronken. Nu vraag ik u, of Kapitein
Pulver al rare ondervindingen heeft opgedaan."
Mr. J. Van Lennep.
(Ferdinand liwjck. Arnhem, D. A. Thieme.)
DE PIT VAN DE KAARS,
Er is een tijd geweest — en die tijd is nog zoo lang niet
verleden, of er zijn nog eene menigte menschen in leven, die
er heugenis van hebben — waarin men in bijna elk huis 's avonds
kaarsen brandde om licht te hebben. Vetkaarsen waren het.
Gij weet zeker wel, wat vet- of smeerkaarsen zijn; immers in
de groote steden moge tegenwoordig bijna nergens meer eene
vetkaars gebrand worden, op het land zijn zeker nog altijd
zulke vetkaarsen in gebruik; want in bijna elk kruidenierswin-
Iceltje in de dorpen en in onderscheidene winkels in de steden
ook, ziet men nog steeds bosjes vetkaarsen te koop hangen, en
dat zou het geval niet zijn, als er niet nog altijd menschen
waren, die vetkaarsen kochten en gebruikten. Wat zijn vetkaar-
sen? Vet van schapen en runderen wordt gesmolten in een
grooten ketel en als 't gesmolten is, neemt de kaar.senmaker
een stokje, waaraan op eene rij eenige dikke katoenen draden
hangen. Hij dompelt die draden in het gesmolten vet en dan
haalt hij hen er weer uit. Aan eiken draadbundel hangt dan
■een laagje vet, dat weldra stolt. Jlaar er zit nog niet genoeg
vet om de pit, welnu, de kaarsen worden nogmaals en nogmaals
in het gesmolten vet gedoopt, en zoo worden zij eindelijk dik
genoeg.
Zulk eene vetkaars, al brandde zij, was toch een zeer onvol-