Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
werk speiikle, dat wij kort aan zee waren. Op eens werd ik
aan boord van een schip gelieschen. »Zonden zij mij nii naar
zeemansmanier aan de ra hangen?" dacht ik; maar ook al niet:
ik Averd tusschendeks gelaten, ik hoorde liet anker lichten en
wij staken van wal. Het duurde zeker wel twintig dagen, eer
de reis ten einde was en ik bleef al dien tijd beneden, zonder
eens op het dek te mogen komen en zonder dat iemand boe
of ba tegen mij zei: gij kunt denken, of ik ook het land had.
Eindelijk liet men het anker vallen, ik werd alweer geblind-
doekt, in do sloep gelaten en aan wal gebracht. Toen mij de
doek werd afgenomen, zag ik, dat ik in een klein boschje was,
•loch waar, wist Joost. Een van de roovers, die Hollandsch
sprak, stond naast mij, en stelde mij een geldzakje ter hand,
»lloudaar!" zei liij: »en maak, dat je wegkomt. Grij hebt slechts
het eerste pad het beste to volgen, om menschen te vinden.
Alaar zoo go ons altemet mociit herkennen 't avond of morgen,
draag zorg ons dan niet te verklappen, noch ons na to volgen,
of" ... hier maakte hij eene beweging, die ik best begreep. »Geen
nood," zei ik, »en goede reis (zoo als de man, die zich baadde,
tegen de haaien zei.)" Weg liepen zij, ik stond alleen te kij-
ken, als malle Piet. Maar ik dacht, ik zal den anderen weg
kiezen en zoo liep ik dwars door het boschje heen, mooi nieuws-
gierig waar ik zou aanlanden, tot ik aan een soort van huisje
kwam, waar ik een paar negers vond, die mij terechthielpen,
en mij naar de Havanah brachten, want daar was ik geen twee
geweei-schoten van verwijderd.
Ik kuierde de stad binnen en vond al gauw eene plaats om
onder dak te komen bij een ouden landsman, dien ik er wonen
wist. ,»Wel, Kapitein Pulver," zei die, toen hij mij zag, »hoe
komje zoo uit de bicht vallen?" »Patientie!" zei ik, dat zal ik
u naderhand wel eens vertellen." Den volgenden dag ging ik
ereis op mijn kuier; maar schoon ik in een paar kooplieden,
die ik onderweg ontmoette, twee van Don Manoëls volk meende
te herkennen, en schoon er een net getuigd en gekoperd brikje
onder Portugeesche vlag in de haven lag, dat al rare vermoe-
dens bij mij deed onstaan, ik paste wol op, mijn mond dicht
te houden, zoolang ik er bleef, 't geen gelukkig korter was dan