Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
brengen, waar ge wezen moet!"' Wat zou ik doen? Ik maakte
eene shijkage, en ging ons maatje achterna, die mij buitenshuis
bracht en naar een ander gebouw, waar de bende gewoon scheen
te zijn liaar middagmaal te nemen. Hier kwam er een hoop
bij elkander, alsof zij van den toren van Babel gestuurd waren,
volk van aUe natiën en tongen: er waren Portugeezen, Span-
jolen, Engelschen, Italiaanders, Francjoisen, Hollanders ook,
schande genoeg! En ik moest mee aanzitten en zien, hoe het
er toeging. Ik moet zeggen, die schelmen hadden eene tafel,
of het voor een burgemeester was, vleesch en gevogelte van
allerlei soort, en wijn, zooveel hun lustte en van den besten
ook. Ik dacht, Fulvertje! dat is allemaal om u te verleiën, maar
deze reis zal het hun niet lukken. — Ondertussuhen waren er
een paar naast mij komen zitten, die vertelden mij, hoe goed
zij het hadden onder Don Manoël, zoo noemden zij den Kapitein,
en wat eene dwaasheid ik doen zou, indien ik niet met hen
bleef; en onderwijl schonken zij mij al in, den eenen kroes voor,
den anderen na. Maar ik lachte in mijne vuist en dacht: als
het op poeieren aankomt, dan ben ik nog niet bang: ik heb een
buik, die kan ertegen, zooals Thomasvaêr in de klucht zeit.
En bovendien had ik van al het praten een keel gekregen, zoo
droog, of ze van een weverswammes gemaakt was. En ziet,
mijne buren raakten allebei zoo mooi bezorgd, dat zij van de
. bank rolden. Toen kwam er een ander, die wou mij een papier
laten teekenen, maar ik smeet het wat deftig over de tafel
heen, waarop er een was, die mij te lijf wou; maar ik gaf
hem een muilpeer, dat hij naar de tweede niet vroeg. Toen
vielen ze allemaal op mij aan, en bonden mij en smeten mij
in een hok, waar ik tijd had om mt te slapen. Den volgen-
den morgen kwamen er vier kerels mij' halen en begonnen met
mij een doek voor mijne kluisgaten te binden, dat ik niet zien
zou, wat zijn in 't vizier liadden. Ik kreeg slechte gedachten,
toen zij mij naar buiten brachten en meende, nu was mijn uur
gekomen en ik moest maar mijn best doen als een vroom
Christenmensch te sterven; maar jawel! ik had pas een eind
weegs opgekuierd, of zij smeten mij in eene sloep en na een
tijdlang roeiens, merkte ik aan den wind, die mij op mijn front-