Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
Pulver: »maar UEcl. zal nog meer hooren. Juffrouw Amelia clan
ging over mij zitten, met de armen gekruist en terwijl zij stipt
voor zieh keek. Het uur was nauwelijks verloopen, of daar stapte
haar vader weer binnen. »Wie heeft u geheeten hier te komen?"
\Toeg hij aan zijne dochter, »laat ons aUeen." — »Neen!" zei
zijne dochter: »dat doe ik niet, of gij moet mij eerst beloven
dien man vrij te laten. Hij heeft vrouw en kinderen," zei zij,
terwijl zij de handen vouwde. »Laat hem gaan, vaderlief, gij
zult het immers aan Tiwe kleine Amelia niet weigeren?" En zoo
ging zij voort, terwijl zij hem allerlei lieve woordjes gaf en hij
wrevelig voor zich bleef kijken. Eindelijk scheen hij eenigszins
tot andere gedachten te komen, hij nam haar bij de hand, zei
iets tot haar in 't Spaansch en bracht haar, half willig, half
onwllig, de kamer uit. Ik hoorde echter, dat hij haar buiten
de deur een zoen gaf: dat dacht mij een goed voorteeken te
zijn. Toen kwam hij weer tot mij. »Wel!" zei hij, »hebt gij
uw besluit genomen?" — »Ja," zei ik. »En wat is het, kort
en goed, zonder teksten?" vroeg hij, »ja of neen?" — »Neen!"
zei ik. — »Dus hangen?" vroeg hij weer. —■ »Neen! ook niet," zei
ik, »immers niet met mijn wil!"— »Gij begrijpt toch," zei hij,
»dat er geene derde keus overblijft. Ik kan toch niet iemand, die
eenmaal hier geweest is, levend laten vertrekken, om, als hij te
huis is, mijne schuilplaats te verklikken." — »Hoor, weetje
wat. Kapitein!" zei ik; »laat mij gerust gaan, al ware het op
dezelfde manier, waar ik op gekomen ben, van mijne bezoe-
ken zulje geen last meer hebben, dat beloof ik u; en om aan
anderen den weg te wijzen, dan moet ik hem eerst zelf keimen.
't Is waarachtig beter, dat gij mij het leven schenkt: gij weet
niet, hoe het u naderhand nog kan te pas komen; als b. v. de
Heeren van de Compagnie u eens bij de kladden krijgen, dan
zal het u meer goed doen, als ik in uw voordeel spreken kan, dan
dat ik nu aan een van die gindsche boomen bungelde." — Hij
scheen even na te denken. »Gij kunt onze levenswijze nog niet
beoordeelen," zei hij, »een man moet weten, wat hij kiest, of
wat hij verlaat." 3Iet floot hij en er kwam een aardige jongen
in een matrozenpakje binnen, aan wien hij in 't Spaansch
zijne bevelen gaf. »Volg dien knaap!" zei hij toen, »die zal u