Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
»Om den drommel niet," zeide Pulver: »maar ik had er mg
al zoo lialf en half op verwacht en mijn besluit was genomen,
want ik dacht: men moet toch eenmaal dood en dan nog liever
als een Christenmensch gestorven. Zoo ging ik zitten en dacht:
ik zal mijn laatste uurtje toch zoo goed mogelijk besteden en
lezen een kapitteltje uit de Schrift; en met dat ik daaraan bezig
was, zoo komt mij dat Juffertje weer binnentrippelen. »Och
Kapitein!" zei ze zoo, »vertel mij toch ereis wat van Holland: ik
hoor zoo graag van Holland spreken." »Lief juffertje," zei ik,
»dat zou ik met pleizier doen, waarom niet; maar ik heb nu
zoo slecht den tijd, want over een uur, weetje, moet ik gehangen
worden, en daarom dien ik mijne leste oogenblikken wel te
besteden met mijne ziel in een staat van genade te brengen en
nog eens aan mijne arme vrouw en zes bloeien van kinderen
te denken, die ik te huis heb gelaten." En met voelde ik, dat
mijne oogen overliepen. »Wat!" zeide zij, »liebt gij vrouw en
kinderen?" en zij begon ook mee te schreien, de goede, mede-
lijdende ziel. »En wie wil u laten hangen?" vroeg zij, »is het
Papa? ^ Ja? — In dat geval, dan zal ik hem zoolang smeeken
en bidden, tot hij u genade geeft." —
— »Juffertje," zei ik, »het hangt van mij af, om te blijven
leven, maar dan moet ik dienst nemen bij uwen vader: zieje,
dat kan ik nu zoo maar niet met mijn geweten overeenbrengen."
— »En waarom niet?" vroeg zij, met een heel natuurlijk stem-
metje. »Ja!" zei ik zoo, »om dat rooversbedrijf, dat strijdt zoo
wat tegen goddelijke en menschelijke wetten." Toen keek zij
mij heel strak in 't gezicht, omtrent even strak als haar vader
gedaan had. »Ik weet het," zei zij toen, snel sprekende, net
alsof zij bang was voor hetgeen zij zeide, »ik weet liet: —
spreek daar niet over. Gij hebt gelijk: ik ben het sleclits ont-
wend, dergelijke waarheden te hooren. Lees voort en ik zal u
niet storen; maar ik wil hier blijven, ik moet met mijn vader
spreken: dat zal zoo niet afloopen."
»Zonderling!" zeide Henriötte, zich een traan uit het oog
wisschende: »en hoe kwam de vader van een meisje, dat zoo
sprak, aan het hoofd van een roofschip?"
»Dat is, wat ook ik dikwijls gedacht heb. Juffertje!" zeide