Boekgegevens
Titel: Van eigen bodem
Deel: 4e deeltje
Auteur: Honigh, Cornelis; Vos, G.J.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1895
9e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4713
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205790
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Van eigen bodem
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
of hij wèl of kwalijk deed, geloof ik, want hij keek mij een
keer of drie aan in "t heengaan, als een tolgaarder zon doen,
wien ze onziuvere mnnt in de handen gestopt hebben. »Nu komt
mijne beurt," dacht ik. — »En gij, Harmen Pulver!" zei de
Kapitein, »gij zult onderstuurman bij mij worden, overmits ik
den mijnen in het laatste gevecht heb verloren." — »Ik bedank
u hartelijk," zei ik. — Toen zette liij een gezicht, alsof hij me
op wou vreten. »Wat!" zei hij, »en waarom niet?" vroeg hij, alsof
het een Admiraalsbaantje was, dat hij mij gepresenteerd had.
»Wel!" zei ik weer, omdat . . ." en meteen snuffelde ik in
mijn broekzak, waar ik nog, spijt schipbreuk en roovers en al
een klein zakbijbeltje had bewaard; en ik sloeg het open: »kijk!"
zei ik, en wees hem op het achtste gebod.
»Dat was braaf gehandeld," zeide Ilenriëtte, en Susanna zag
den dikken man met eenigen eerbied aan, alsof zij eene inner-
lijke belofte deed, van ton minste in de eerste tien nnnuten
den spot niet met hem te di-ijven.
»En hoe nam de zeerooverdatop?" vroegen wij allen uit één mond.
»Wel, dat viel mee, (zooals de dronken bottelier zei, toen
hij met de gangtrap in zee rolde). — Hij keek wel eerst wat
stuursch, maar het maakte toch indruk, merkte ik. »Ik wil geen
theologisch dispuut met u beginnen," zei hij, »anders zou ik u
kunnen overtuigen, dat dit artikel, (hij noemde het een artikel:
de man was ook niet vast in de leer!) dat dit artikel," zei hij,
»op mijn beroep niet toepasselijk is. Ik ben hier zooveel als
Souverein, geloof ik," zei hij, »en in oorlog met alle natiën:
alleen heb ik nog een gekkelijk zwak voor de Hollanders, of-
■schoon zij het niet aan mij verdiend hebben. — Ik geef u een
uur om u te bedenken," zei hij, en meteen vouwde hij heel
bedaard liet papier, dat hij geschreven had, dicht en stond op
om lieen te gaan. — »En zoo ik het nu niet aanneem," zei ik,
»wat dan?"
»Dan wordt gij gehangen," zei hij, op denzelfden toon, alsof
hij mij de keus had gelaten tusschen een slok brandewijn en
een glas rood en hij stapte de deur uit."
»Uw toestand moet alles behalve vroolijk zijn geweest," merkte
ik aan.